Grammatica start havo


Grammatica 
Hoofdstuk 1 en 2



Welkom
A1A 1
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson


Grammatica 
Hoofdstuk 1 en 2



Welkom
A1A 1

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen?
- Weekprogramma + weektaak & belangrijke data noteren!
- Introductie nieuw onderwerp: grammatica
- Uitleg + aantekeningen maken
- Opdrachten maken



Wat leer je deze week?
Je kunt de persoonsvorm uit de zin herkennen en benoemen.
Je kunt het onderwerp van de tekst herkennen en benoemen.
Je kan een zin in zinsdelen verdelen.

Slide 2 - Slide

Weekprogramma 
Les 1 : Deel A&B les, theorie uitleggen + aantekeningen maken
Les 2 : Deel A&B weektaak afmaken (les wordt gestreamd)
Les 3 : Deel A&B weektaak afmaken (les wordt gestreamd)

Weektaak noteren: uiterlijk vrijdag 23 april inleveren via Teams bij opdrachten OF in de les aan mij laten zien en direct laten aftekenen.
H1: opdr. 1, 2 & 3 blz. 28-29 + groene theorie lezen
H2: opdr. 1&4 blz. 58-59 + groene theorie lezen


Slide 3 - Slide

Belangrijke data
- 18 mei boekdoos inleveren (Jonge Jury)
-28 en 29 april: schrijversbezoek Chinouk Thijssen

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Grammatica: zinsontleding
1. Persoonsvorm = PV
Zinsdelen
2. Onderwerp = OW
3. Werkwoordelijk gezegde = WG
4. Lijdend voorwerp = LV
5. Meewerkend voorwerp = MV
6. Bijwoordelijke bepaling = BWB
                We sluiten deze periode af met een SO grammatica hoofdstuk 1 t/m 6.

Slide 8 - Slide

Welk woord in de zin is de persoonsvorm?:
Het Vondelpark in Amsterdam werd gistermiddag gesloten.

Slide 9 - Mind map

Op welke manieren kun je de persoonsvorm van een zin vinden? Er zijn 3 manieren!

Slide 10 - Mind map

Persoonsvorm
1. Is altijd één van de werkwoorden. (doe-woorden)

Hoe vind je de persoonsvorm?
1. Maak van de zin een vraag: Het werkwoord dat vooraan komt is de PV.
2. Verander de tijd: tegenwoordige tijd wordt verleden tijd of andersom. Het werkwoord dat verandert is de PV.
3. Verander het getal: enkelvoud wordt meervoud of andersom. Het werkwoord dat verandert is de PV.

Slide 11 - Slide

Persoonsvorm
Vorig jaar / heb / ik  / voor alle leerlingen / het schoolfeest / georganiseerd. 


  1.  Heb ik vorig jaar voor alle leerlingen het schoolfeest georganiseerd? (vraagzin)
  2.  Vorig jaar had ik voor alle leerlingen het schoolfeest georganiseerd. (tijd)
  3.  Vorig jaar hadden we voor alle leerlingen het schoolfeest georganiseerd. (getal)


Slide 12 - Slide

Is deze zin goed verdeeld in zinsdelen?
Vandaag / starten we / met / grammatica.
A
Ja
B
Nee

Slide 13 - Quiz

Is deze zin goed verdeeld in zinsdelen?Dit weekend / vroeg / hij haar / verkering.
A
Ja
B
Nee

Slide 14 - Quiz

Zinsdelen
1. Voor de persoonsvorm mag maar 1 zinsdeel staan!!
2. Alle zinsdelen samen die je VOOR de persoonsvorm kunt zetten horen bij elkaar. 

Voorbeeld:
Alle leerlingen /  hebben / de toets / goed / gemaakt.

Slide 15 - Slide

Wat is de persoonsvorm in de zin?

Binnenkort wordt de prijs van de Jonge Jury uitgereikt.
A
de prijs
B
de Jonge Jury
C
wordt
D
Binnenkort

Slide 16 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de zin?

Waren zij in de pauze naar de Albert Heijn gefietst?
A
zij
B
Albert Heijn
C
gefietst
D
waren

Slide 17 - Quiz

Wat is het onderwerp in de zin?

Binnenkort wordt de prijs van de Jonge Jury uitgereikt.
A
de prijs van de Jonge Jury
B
de Jonge Jury
C
wordt
D
Binnenkort

Slide 18 - Quiz

Wat is het onderwerp in de zin?

Waren zij in de pauze naar de Albert Heijn gefietst?
A
zij
B
Albert Heijn
C
gefietst
D
waren

Slide 19 - Quiz

Onderwerp OW
1. Vrijwel elke zin heeft een onderwerp.

1. Stel de vraag: WIE/WAT+PERSOONSVORM?
Het Vondelpark werd gistermiddag gesloten.
WIE/WAT werd? --> het Vondelpark = OW.

2. Verander de persoonsvorm van getal. Het zinsdeel dat MEE VERANDERT is het ow.
Het Vondelpark werd gistermiddag gesloten. 
De parken werden gistermiddag gesloten.

Slide 20 - Slide

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

Waarom is die leerling de hele les zo aan het zeuren?
A
is
B
is zeuren
C
is aan het zeuren
D
aan het

Slide 21 - Quiz

Werkwoordelijk gezegde WW
1. De persoonsvorm + alle andere werkwoorden in de zin!
De schoonmakers maken elke dag alle tafels in het lokaal schoon. (wg = maken schoon)

2. De woordjes TE en AAN HET horen ook bij het WG!
De hele avond was zij haar toets aan het voorbereiden. (wg = was aan het voorbereiden)

3. Soms is het een werkwoordelijke uitdrukking.
De leerlingen joegen de docent op de kast. (werkwoordelijke uitdrukking = joegen op de kast)


Slide 22 - Slide

Hoeveel weet jij al van de theorie?
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll

Aan de slag met je weektaak!
Weektaak noteren: uiterlijk vrijdag 23 april inleveren via Teams bij opdrachten OF in de les aan mij laten zien en direct laten aftekenen.

H1: opdr. 1, 2 &3 blz. 28-29 + groene theorie lezen
H2: opdr. 1 & 4 blz. 58-59 + groene theorie lezen



Slide 24 - Slide