This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Les van 11 maart
Wat gaan we doen?
- Woordenschat;
Formeel taalgebruik
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 4;
-Banksy.
Slide 1 - Slide
Woordenschat
We gaan kijken naar de woordenschatwoorden bij de tekst “Hoe overleg jij? Doe het dilemmaspel!”
Slide 2 - Slide
Woordenschat
Ga naar blz. 34 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.
Slide 3 - Slide
Woordenschat
Ga naar blz. 35 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2.
Slide 4 - Slide
Welk woord past bij de zin? Ik wil naar een camping met een zwembad. Daar is mijn vader het gelukkig mee eens!
A
Improviseren
B
zich kunnen vinden in
C
je steentje bijdragen
Slide 5 - Quiz
Welk woord past bij de zin? In het verhaal kwam een wezen voor dat half leeuw en half mens was.
A
de catastrofe
B
de mediator
C
de sfinx
Slide 6 - Quiz
Woordenschat
Ga naar blz. 35 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 3 verder af.
Slide 7 - Slide
Formeel en informeel taalgebruik
Wat is dit ook alweer?
Geef een voorbeeld
Slide 8 - Slide
Formeel en informeel taalgebruik
Formeel:
Meneer, mag ik u wat vragen? Zou u mij alstublieft mijn tas willen aangeven?
Informeel:
Hey, kun jij mij even mijn tas aangeven?
Slide 9 - Slide
Jargon
Jargon oftewel vaktaal.
Wat betekenen dit?
Dit is een taal van mensen in een bepaalde beroepsgroep. Het wordt ook wel ‘vaktaal' genoemd. Het helpt mensen binnen die groep om snel en efficiënt met elkaar te communiceren. Het is handig, want je collega's weten dan meteen waarover je het hebt.
Slide 10 - Slide
Jargon
In je opleiding leer je ze meestal al. Bijvoorbeeld in de zorg leer je dat hypertensie hoge bloeddruk betekent.
Bijvoorbeeld:
- Taal die door een arts wordt gesproken of een elektricien of op een schip.
Slide 11 - Slide
Jargon
Voorbeelden:
Geef mij die kruiskopschroevendraaier eens even aan.
Beetje meer naar bakboord.
Ik kan dan niet, ik moet zodadelijk naar zitting.
Slide 12 - Slide
Even oefenen
Ga naar blz. 30 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.
Slide 13 - Slide
Even oefenen
Ga naar blz. 30 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2.
Slide 14 - Slide
Even oefenen
Ga naar blz. 38 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak daar de "eerst proberen" oefening en daarna oefening 1.
Slide 15 - Slide
Klein dictee
We gaan weer even een klein dictee doen. We gaan even kijken wat je al weet van dit nieuwe thema (Thema 4). We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle en daarna druk je op 'send'.
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Open question
Spelling
We gaan het ook deze week weer over leenwoorden hebben.
Print dit schema uit en leer de woorden uit je hoofd.
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Spelling weetwoorden
de manager de chalet
charmant de crème
de crèche de scène
de workshop de dynamo
douchen de curry's
Slide 20 - Slide
Spelling weetwoorden
de manager de chalet
charmant de crème
de crèche de scène
de workshop de dynamo
douchen de curry's
Slide 21 - Slide
Accenten: accent grave (à, è, ù),
Hoe heten de "accenten" op de 'e' in de woorden
de crème
de crèche
de scène
accent grave (à, è, ù)
We gebruiken dit omdat het een leenwoord is.
Slide 22 - Slide
Andere "accenten"
Accent aigu (é): het streepje staat nu de andere kant op
Accent circonflexe (ê, â, î, ô, û): Het "dakje". Dit "dakje" kan op ALLE klinkers staan
Slide 23 - Slide
Accent aigu (é):
Accent aigu (é): Wordt alleen op de 'e' gebruikt en klinkt als een lange, gesloten 'ee' (zoals in café).
Slide 24 - Slide
Accent circonflexe (ê, â, î, ô, û):
Accent circonflexe (ê, â, î, ô, û):
- Het "dakje" kan op alle klinkers staan
- geeft vaak een historische verdwijning van een letter aan
(vaak een 's') aan (bijv. hôpital vs. hospital).
Slide 25 - Slide
Even oefenen
Pak je spellingsboek erbij. Ga naar blz. 42 en maak oefening 2.
Slide 26 - Slide
Even oefenen
Pak je spellingsboek erbij. Ga naar blz. 42 en maak oefening 3.
Slide 27 - Slide
Werkwoordspelling
We gaan nog even oefenen met de werkwoordspelling..