C1 U5 gramática deel 1 (ser vs estar)

Gramática unidad 5
- Je weet straks dat er meerdere werkwoorden zijn voor het NL werkwoord ZIJN.
- Je weet hoe je ser en estar moet vervoegen.
- Je weet wanneer je ser of estar moet gebruiken
1 / 15
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Gramática unidad 5
- Je weet straks dat er meerdere werkwoorden zijn voor het NL werkwoord ZIJN.
- Je weet hoe je ser en estar moet vervoegen.
- Je weet wanneer je ser of estar moet gebruiken

Slide 1 - Slide

Vervoegingen ww
ser = zijn
estar = zijn
yo
soy
estoy
eres
estás
él/ella/usted
es
está
nosotros
somos
estamos
vosotros
sois
estáis
ellos/ellas/ustedes
son
están

Slide 2 - Slide

ser
estar
- data en tijd
Es el 10 de marzo.
Son las doce.
- vaste eigenschappen
Amsterdam es la capital de Holanda.
Soy una persona alegre.
- herkomst/nationaliteit.
Soy de Holanda.
Soy holandesa.
- beroepen
Soy profesor.
- relaties
Ella es mi hermana.
- bezit
Es mi libro.
- plaatsbepalingen 
Estoy en casa.
Estamos en Holanda (de vacaciones)
- welzijn (hoe het gaat)
Estoy bien.
- tijdelijke condities
Estoy enfermo.
- positie (ik sta/ik zit/ ik lig)
Estoy sentado.
- emoties
Estoy enfadado (boos)
Estoy alegre (vrolijk)
- estar is ALTIJD zich bevinden
Kun je zijn vervangen door zich bevinden dan kies je altijd voor ESTAR.
- staan / liggen / hangen = plaats = estar

Slide 3 - Slide

Kies: Yo ... en el colegio.
A
soy
B
estoy

Slide 4 - Quiz

Kies: Nosotros ... de Holanda
A
somos
B
estamos

Slide 5 - Quiz

Kies: Nosotros ... en Holanda
A
somos
B
estamos

Slide 6 - Quiz

Kies: Mi madre ... médica.
A
es
B
está

Slide 7 - Quiz

Kies: Mi madre ... en el hospital.
A
es
B
está

Slide 8 - Quiz

Kies: ¿Qué tal?
A
Soy bien.
B
Estoy bien.

Slide 9 - Quiz

Kies: Él ... mi amigo.
A
es
B
está

Slide 10 - Quiz

Kies: Yo ... nervioso, tengo un examen.
A
soy
B
estoy

Slide 11 - Quiz

Kies: Ellos ... muy simpáticos.
A
son
B
están

Slide 12 - Quiz

Slide 13 - Video

Slide 14 - Video

¡A trabajar!
Weet je nu wanneer ser of estar moet gebruiken?

1) Leren woorden unidad 5 + woorden unidad 4 herhalen
2) Bekijk eerst de filmpjes in deze LessonUp vóórdat je de opdrachten gaat maken.
3) Maken actividades gramática unidad 5 WERKBOEK opdracht 1 t/m 4 + 9 + 10

Slide 15 - Slide