This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.
Lesson duration is: 45 min
Report this lesson
Items in this lesson
1.1: Wat is economie
Slide 1 - Slide
Voorstelrondje
Slide 2 - Slide
Hoe werken we met de methode?
Nodig:
Rekenmachine
Groot schrijft
Boek
Slide 3 - Slide
Leerdoelen
Je kunt de begrippen schaarste en opofferingskosten uitleggen.
Je kunt een budgetlijn tekenen.
Je kunt de wiskundige vergelijking van een budgetlijn opstellen.
Slide 4 - Slide
Wat is schaarste?
Slide 5 - Open question
Economie = kiezen
Slide 6 - Slide
Behoeften:
mensen hebben behoefte aan goederen en diensten, dit noemen we behoeften. Er zijn basisbehoeften (primaire behoeften) en luxebehoeften (secundaire behoeften). Normale behoeften die je niet nodig bent om in leven te blijven horen ook bij de secundaire behoeften.
Slide 7 - Slide
Schaars goed of vrij goed? kraanwater
A
Schaars
B
Vrij
Slide 8 - Quiz
Een goed of een dienst? 'Telefoon'
A
Goed
B
Dienst
Slide 9 - Quiz
Een goed of een dienst? 'Uit eten in een restaurant'
A
Goed
B
Dienst
Slide 10 - Quiz
Leg uit wat economische schaarste is
Slide 11 - Open question
5 minuten
Maken opgave 1.2 van pagina 18.
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Budgetlijn
Een budgetlijn geeft de verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden bij een bepaald budget.
Slide 14 - Slide
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Video
In je schrift
Budget = €200,-
Biertje: €2,50
Pakje sigaretten: €10,-
Teken de budgetlijn in je schrift (bord)
Slide 18 - Slide
Opofferingskosten
1 pakje sigaretten kost evenveel als 4 biertjes. (€10 en €2,50)
Want: €10 ÷ €2,50 = 4 biertjes.
De opofferingskosten van 1 pakje sigaretten zijn dus 4 biertjes.
De opofferingskosten van 1 biertje zijn 0,25 pakje sigaretten.
Slide 19 - Slide
Je budget wordt groter, de budgetlijn verschuift naar
Rechts
Links
Slide 20 - Poll
Formule bij budgetlijn
Budget = (p1 x q1) + (p2 x q2)
200 = (€2,50 x q1) + (€10 x q2)
(q staat voor hoeveelheid)
Slide 21 - Slide
200 = (€2,50 x q1) + (€10 x q2) Stel: je koopt 10 bier. Bereken hoeveel sigaretten kun je nog kopen?
Slide 22 - Open question
Opdrachten
* De budgetlijn
* Verschuiving van de budgetlijn
* Werken of vrije tijd?
Slide 23 - Slide
Ander woord voor geld
Slide 24 - Mind map
Slide 25 - Video
Slide 26 - Slide
3 functies van geld
- ruilmiddel --> Je koopt iets
-oppotmiddel --> Je spaart geld (je pot het op)
-rekenmiddel --> Je rekent en maakt vergelijkingen
Maken tabel pagina 23, 2 minuten
Slide 27 - Slide
Anke heeft begroot dat ze € 1200 nodig zal hebben voor haar vakantie in Frankrijk. Hier is sprake van geld als:
A
ruilmiddel
B
rekenmiddel
C
oppotmiddel
Slide 28 - Quiz
chartaal en giraal geld
Chartaal geld: contant geld
Giraal geld: het geld op de betaalrekeningen
Geld op de spaarrekening = geen giraal geld (niet direct beschikbaar)
Slide 29 - Slide
Jelte gaat met zijn pinpas een bedrag van €70 euro uit de geldautomaat halen. Wat gebeurt er?
A
Het chartale geld en het girale geld is afgenomen
B
Het chartale geld is afgenomen maar het girale geld is toegenomen
C
Het chartale geld is toegenomen maar het girale geld is afgenomen
D
Het chartale geld en het girale geld is toegenomen