Kennismaken met het mooiste vak

                Welkom AH1K
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

                Welkom AH1K

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen?
  • Voorstellen
  • Algemene informatie over het vak Nederlands
  • Quiz
  • Vragen

Slide 2 - Slide

Wie ben ik ?
Schrijf je naam op het papiertje

Slide 3 - Slide

Waar denk je aan bij
het vak Nederlands?

Slide 4 - Mind map

Waarom het vak Nederlands?

Slide 5 - Slide

Waarom denk jij dat je het vak Nederlands op school krijgt?

Slide 6 - Open question

Bijles nodig?

Slide 7 - Slide

Een keer wat anders!

Slide 8 - Slide

Ook een manier...

Slide 9 - Slide

Waarom is Nederlands dus belangrijk?

Slide 10 - Open question

Vak Nederlands
- Taal en communicatie
- Leesvaardigheid
- Grammatica
- Fictie
- Schrijfvaardigheid
- Taalverzorging
- Spreekvaardigheid

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Hoe heet deze schrijfster?
A
Thea Beckman
B
Annie M.G. Schmidt
C
Carry Slee
D
Mel Wallis de Vries

Slide 13 - Quiz

Hoe heet deze schrijver?
A
Jan Terlouw
B
Paul van Loon
C
Jacques Vriens
D
Arend van Dam

Slide 14 - Quiz

In welk land wordt geen Nederlands gesproken?
A
Aruba
B
België
C
Suriname
D
Luxemburg

Slide 15 - Quiz

Hoe heet de hoofdpersoon in het boek Het leven van een loser?
A
Bram Bootmans
B
Bram Botermans
C
Bram Boot
D
Bram Boterham

Slide 16 - Quiz

De woorden -de-, -het- en -een- zijn...
A
Lidwoorden
B
Werkwoorden
C
Voorzetsels
D
Zelfstandige naamwoorden

Slide 17 - Quiz

Wat is -fiets- voor een woord?
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Werkwoord
D
Voorzetsel

Slide 18 - Quiz

In welke zin staat een bijvoeglijk naamwoord?
A
Ik fietste gisteren naar huis.
B
Mijn moeder en ik gaan boodschappen doen.
C
Ik wil later een rode auto.
D
Ik zit in de brugklas!

Slide 19 - Quiz


A
Goed
B
Fout

Slide 20 - Quiz


A
Goed
B
Fout

Slide 21 - Quiz


A
Goed
B
Fout

Slide 22 - Quiz


A
Goed
B
Fout

Slide 23 - Quiz

Nu wordt het iets moeilijker...
Moet het met een d of met een t?

Slide 24 - Slide


A
slaagd moet slaagt zijn
B
vind moet vindt zijn
C
slaagd moet slaagdt zijn
D
durft moet durfdt zijn

Slide 25 - Quiz


A
0 fout
B
1 fout
C
2 fouten
D
3 fouten

Slide 26 - Quiz


A
0 fout
B
1 fout
C
2 fouten
D
3 fouten

Slide 27 - Quiz


A
Het moet 'verhuizt' zijn
B
Het moet 'verhuist' zijn
C
Het moet 'verhuisd' zijn
D
Het moet 'verhuisdt' zijn

Slide 28 - Quiz


A
Het moet 'wilt' zijn
B
Het moet 'wil' zijn

Slide 29 - Quiz

De laatste ronde!
Herken jij de spreekwoorden?

Slide 30 - Slide


Slide 31 - Open question


Slide 32 - Open question

Tot slot: wat vond je van deze les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll

Vragen over het vak Nederlands 

Slide 34 - Slide