Les 3: Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord

Werkwoordspelling
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3,4

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Werkwoordspelling

Slide 1 - Slide

timer
10:00

Slide 2 - Slide

Werkwoordspelling

Slide 3 - Slide

Vorige les
Persoonsvormen (t.t/v.t)
Voltooid deelwoorden








Slide 4 - Slide

Deze les
Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord




Slide 5 - Slide

PVTT

Het vliegtuig [landen] om 10:00 uur op Schiphol.

Slide 6 - Open question

PVVT

De docenten [tasten] in het duister, waar het die bijzonder hoge cijfers betrof.

Slide 7 - Open question

(Voltooid deelwoord)
Ik heb aan die beslissing geen consequenties verbonden.

Slide 8 - Open question

(onvoltooid deelwoord)
(Rennen) ging de jongen naar school.

Slide 9 - Open question

Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
  • Het voltooid deelwoord kan ook als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt. 

  • Het voltooid deelwoord staat dan voor een zelfstandig naamwoord. Het zegt dan iets over een zelfstandig naamwoord (mensen, dieren, dingen of planten).




Slide 10 - Slide

Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
Zwakke werkwoorden
  • Je schrijft het zo kort mogelijk op bij zwakke werkwoorden.

  • De verbrede straat ligt vol zand 
  • (ik heb verbreed)
  • De gevluchte crimineel is opgepakt 
  • (Ik ben gevlucht)
  • De afgebrande schuur wordt opgeruimd



  • Maar let op: de verrotte appel

Slide 11 - Slide

Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
Sterke werkwoorden
  • De voltooid deelwoorden van sterke werkwoorden eindigen vaak op -en.
  • Als het voltooid deelwoord op -en eindigt, dan schrijven we het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord ook met 
  • De gelopen afstand was erg groot. (Ik ben gelopen)  
  • De gebraden kip smaakte heerlijk. (Ik heb gebraden) ((braden, geen sterk ww))
  • Het geslagen kind werd erg boos. (Ik ben geslagen)
  • Het vergeten boek lag nog jaren in de kast. (Ik ben vergeten)


Slide 12 - Slide

De (redden) schipbreukelingen werden (ondervragen).
A
geredden, ondervraagt
B
geredde, ondervraagt
C
geredde, ondervraagd

Slide 13 - Quiz

De ....... leraar stond met keelpijn voor de klas. (hoesten)

Slide 14 - Open question

De ....... noten smaakten erg zout. (braden)

Slide 15 - Open question

De ....... agent begroette iedereen erg vrolijk. (lachen)

Slide 16 - Open question

Het ...... paard wilde het meisje niet meer dragen. (hinniken)

Slide 17 - Open question

1: Het schilderij is gestolen. Het (stelen) schilderij.

Slide 18 - Open question

2: Het boek is verkocht. Het (verkopen) boek.

Slide 19 - Open question

Het schip is gestrand. Het (stranden) schip.

Slide 20 - Open question

De afstand is gerend. De (rennen) afstand.

Slide 21 - Open question

De brief is gepost. De (posten) brief.

Slide 22 - Open question

Het huis is afgebrand. Het (afbranden) huis.

Slide 23 - Open question

De envelop is gesloten. De (sluiten) envelop.

Slide 24 - Open question

De envelop is geopend. De (openen) envelop.

Slide 25 - Open question

De muren waren mooi geverfd. De (verven) muren.

Slide 26 - Open question

Wat ging goed?

Slide 27 - Slide

Ik weet wat een voltooid gebruikt voltooid deelwoord is

Ja
Nee
Een beetje

Slide 28 - Poll

Ik weet hoe ik moet achterhalen of ik een bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord kort of lang schrijf

Ja
Nee
Een beetje

Slide 29 - Poll