1.3 Moleculaire stoffen en 1.4 Zouten

1.3 Moleculaire stoffen en
1.4 Zouten

1 / 45
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

1.3 Moleculaire stoffen en
1.4 Zouten

Slide 1 - Slide

Deze les

  • Moleculaire stoffen
  • Structuurformules
  • Zouten
  • Verhoudingsformules
  • Naamgeving zouten
  • Lezen 1.3 en 1.4
  • Maken 26 t/m 29, 31, 32

Slide 2 - Slide

Leerdoel moleculaire stoffen
  • Je leert hoe moleculaire stoffen zijn opgebouwd.
  • Je leert om structuurformules te tekenen.
  • Je leert de systematische naamgeving van anorganische moleculen.

Slide 3 - Slide

Moleculaire stoffen

  • Verbindingen die alleen uit niet-metaal atomen bestaan.
  • Ook wel 'moleculen' genoemd.
  • Voorbeelden: H2O, C2H6O, HCN, PCl3
  • Ontstaat door vorming van atoombindingen
  • Moleculen worden bij elkaar gehouden door vanderwaalsbindingen.

Slide 4 - Slide

Atoommodel niet-metaal 
Niet-metaalatomen missen
elektronen in hun buitenste
schil (valentie-elektronen) om
te voldoen aan de edelgas-
configuratie.

Slide 5 - Slide

Gedeeld elektronenpaar
Om edelgasconfiguratie te bereiken
  • kan een niet-metaal een elektron opnemen van een metaal (=zout, zie 1.4)
  • of delen twee niet-metaalatomen de elektronen: een gedeeld elektronenpaar, ook wel atoombinding of covalente binding genoemd.

Slide 6 - Slide

Atoombinding
  • Atoombinding is heel sterk.
  • Atoombinding verbreekt alleen bij chemische reacties, waarbij nieuwe moleculen ontstaan.
  • Hoeveel bindingen een niet-metaal aangaat, hangt af van de covalentie.
  • Covalentie geeft aan hoeveel elektronen gedeeld moeten worden om edelgasconfiguratie te bereiken.

Slide 7 - Slide

Covalentie

  • Geeft aan hoeveel elektronen gedeeld worden, dus hoeveel atoombindingen worden gevormd.
  • Eenvoudig af te lezen uit periodiek systeem.
  • Aantal elektronen erbij tot edelgas (groep 18) = covalentie.
  • Covalentie H=1, F=1, O=2 enz.

Slide 8 - Slide

Voorbeeld: waterstof
H heeft 1 valentie-elektron, wil er 1 elektron bij.
Covalentie = 1





Molecuulformule = H2             Structuurformule = H-H
H + H
H2

Slide 9 - Slide

Voorbeeld: zuurstof
O heeft 6 valentie-elektronen, wil er 2 bij. 
Covalentie = 2





Molecuulformule = O2             Structuurformule = O=O
O + O
O2

Slide 10 - Slide

Wat is de covalente van koolstof (C)?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 11 - Quiz

Wat is de covalente van zwavel (S)?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 12 - Quiz

Twee-atomige moleculen
Claire Fietst In Haar Onderbroek Naar Breda.
(Chloor = Cl2, fluor = F2 etc.)

Noteer dit ezelsbruggetje bij je belangrijke aantekeningen!

Slide 13 - Slide

Hoeveel atoombindingen zitten er in een stikstofmolecuul?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 14 - Quiz

De vanderwaalsbinding

Slide 15 - Slide

0

Slide 16 - Video

Hoe noemen we deze fase-overgang? (vast naar gas, zie filmpje)
A
smelten
B
condenseren
C
sublimeren
D
rijpen

Slide 17 - Quiz

Wat gebeurt er met de atoombindingen van jood bij sublimeren?
A
verbreekt
B
wordt zwakker
C
wordt sterker
D
niets

Slide 18 - Quiz

Fase-overgang

  • Bij een fase-overgang blijven de moleculen hetzelfde (atoombinding blijft intact).
  • De afstand tussen deeltjes veranderd -> Vanderwaalsbinding (molecuulbinding).
  • Hoe dichter op elkaar, hoe sterker  de V/d waalsbinding.

Slide 19 - Slide

Vanderwaalsbinding
  • Aantrekkingskracht tussen moleculaire stoffen (dus niet aanwezig bij metalen of zouten!)
  • Aanwezig door kleine ladingsverschillen in de moleculen (elektronen staan niet op vaste plaats, bewegen door schillen heen).
  • Relatief zwakke binding (aanwezig bij vaste fase, deels verbroken bij vloeistof, afwezig bij gas en opgeloste stof).
  • Hoe groter de massa van het molecuul, des te sterker de vanderwaalsbinding.



Slide 20 - Slide

Wat gebeurt er met de Vanderwaalsbinding als suiker wordt opgelost in thee.
A
verbreekt
B
wordt zwakker
C
wordt sterker
D
niets

Slide 21 - Quiz

Even oefenen
Maak vragen 28 + 29

Slide 22 - Slide

Structuurformules
  1. Noteer de molecuulformule.
  2. Noteer de covalenties van de atomen.
  3. Zet het atoom met de hoogste covalentie centraal.
  4. Teken atoombindingen naar de andere atomen, zodat alle atomen de gewenste covalentie hebben.

Slide 23 - Slide

Samen oefenen
  • Teken de structuurformules van C2H6 en HCN.
  • Teken de structuurformule van H2SO4, gegevens: 
- S staat centraal;

- Alle O-atomen zijn rechtstreeks aan het S-atoom verbonden;
- S heeft niet de verwachte covalentie.

S en P voldoen vaak niet aan de verwachte covalentie!
Klaar: maken 26, 27, 28, 29, 31, 32

Slide 24 - Slide

1.4 Zouten

Slide 25 - Slide

Lesdoelen




  • Je leert wat zouten zijn en hoe ze gevormd worden.
  • Je leert om verhoudingsformules te geven van zouten.
  • Je leert de naamgeving van zouten.

Slide 26 - Slide

Zouten
  • Combinatie van metaal- en niet-metaalatoom.
  • Wordt gevormd doordat metaalatoom elektron(en) weggeeft aan niet-metaalatoom.
  • Hierdoor worden geladen deeltjes gevormd: ionen.



Slide 27 - Slide

Ionen

  • Neutraal atoom heeft gelijk aantal protonen (+) en elektronen (-).
  • Ion heeft afwijkend aantal elektronen, waardoor een geladen deeltje ontstaat.
  • Metaalatomen vormen positief geladen ionen, doordat ze elektronen weggeven, bijv. Na+ en Ca2+.
  • Niet-metaalatomen vormen negatieve ionen, bijv. Cl- en O2-.
  • Ladingen te vinden in Binas tabel 40A, soms te voorspellen met elektronenconfiguratie.


Slide 28 - Slide

Hoeveel protonen heeft een fluoride-ion (F-)?
A
8
B
9
C
10
D
19

Slide 29 - Quiz

Hoeveel elektronen heeft een titaan(II)ion (Ti2+)?
A
20
B
22
C
24
D
26

Slide 30 - Quiz

Hoeveel neutronen heeft een kalium-ion (K+, isotoop K-41)?
A
18
B
19
C
20
D
22

Slide 31 - Quiz

Ionbinding


  • Aantrekking tussen + en - ionen noem je de ionbinding.

  • In zout zijn ionen gerangschikt in een ionrooster.

Slide 32 - Slide

Aan de slag
  • Lezen 1.4 t/m figuur 1.17
  • Maken 1.4 vragen 36, 37, 46

Slide 33 - Slide

Verhoudingsformules
  • De formule van een zout wordt de verhoudingsformule genoemd (dus geen molecuulformule!).
  • Deze formule geeft de verhouding weer tussen de ionen.
  • De lading van de ionen bepaalt de verhouding: een zout heeft geen netto lading (evenveel + als - lading).
  • Ladingen kun je vinden in Binas 40A.

Slide 34 - Slide

Voorbeeld 1: keukenzout
  • Keukenzout is de triviale naam voor de rationele (=chemische) naam van natriumchloride (Binas 66A).
  • Bestaat uit natriumionen en chloride-ionen.
  • Na+ en Cl- (Binas 40A)
  • Netto lading 0, dus van beide 1 nodig. 
  • Verhoudingsformule = NaCl

Slide 35 - Slide

Voorbeeld 2: natriumsulfide
  • Natriumionen en sulfide-ionen.
  • Na+ en S2- (Binas 40A)
  • Netto lading 0, dus 2 Na+ nodig en 1 S2-
  • Verhoudingsformule = Na2S

Slide 36 - Slide

Voorbeeld 3: aluminiumoxide
  • Aluminiumionen en oxide-ionen.
  • Al3+ en O2- (Binas 40A)
  • Netto lading 0, dus 2 Al3+ nodig en 3 O2-
  • Verhoudingsformule = Al2O3

Slide 37 - Slide

Wat is de verhoudingsformule van kaliumfluoride?
A
KF
B
K2F
C
KF2
D
K2F2

Slide 38 - Quiz

Wat is de verhoudingsformule van magnesiumchloride?
A
MgCl
B
Mg2Cl
C
MgCl2
D
Mg2Cl2

Slide 39 - Quiz

Aan de slag
  • Lezen 1.4 blz. 26
  • Maken 1.4 vragen 38 + 40

Slide 40 - Slide

Naamgeving zouten

  • Eerste ion krijgt naam van atoomsoort.
  • Als metaal-ion verschillende ladingen kan hebben, geef je erachter met Romeinse cijfers aan welk ion wordt bedoeld.
  • Tweede ion krijgt uitgang -ide.
  • Bijv. ijzer(II)chloride

Slide 41 - Slide

Wat is de naam van Na2O?
A
Natriumoxide
B
Dinatriumoxide
C
Natriumzuurstof
D
Natrium(II)oxide

Slide 42 - Quiz

Wat is de naam van CuO?
A
Koperoxide
B
Koper(I)oxide
C
Koper(II)oxide
D
Koper(III)oxide

Slide 43 - Quiz

Wat is de naam van NO2?
A
Stikstofoxide
B
Stikstof(I)oxide
C
Stikstof(II)oxide
D
Stikstofdioxide

Slide 44 - Quiz

Aan de slag
  • Maken 1.4 vragen 39, 41, 42

Slide 45 - Slide