GPW1_Lezen 1_signaalwoorden & verwijswoorden

Wo 2/11 - 2M1 - 7e uur
Oefenen met signaalwoorden, tekstverbanden en verwijswoorden
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Wo 2/11 - 2M1 - 7e uur
Oefenen met signaalwoorden, tekstverbanden en verwijswoorden

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

  • De vijf leesmanieren 
  • De leesstrategieën bij de verschillende leesmanieren
  • De onderdelen van het tekstgeraamte
  • Signaalwoorden
  • Verwijswoorden
Herhaling theorie GPW 

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

  • Grondig lezen
  • Zoekend lezen
  • Scannend lezen
  • Ontspannend lezen
  • Kritisch lezen
Vijf leesmanieren:
Voor het lezen: 
1. Voorspellen

Tijdens het lezen:
2. Ophelderen
3. Vragen stellen

Na het lezen:
4. Samenvatten  
5. Terugkijken
Algemene leesstrategieën:

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Maak gebruik van het tekstgeraamte: 
  • Titel
  • Illustraties (afbeeldingen, foto's, tekeningen)
  • Inleiding
  • Bron (waar komt de tekst vandaan/wie heeft de tekst geschreven)
  • Tussenkopjes
  • Tabel
  • Begin van de alinea
  • Eind van de alinea
Zoekend lezen/ scannend lezen 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

  • Voorspellen: je kijkt snel waar de tekst over gaat en je haalt je kennis over het onderwerp naar boven.
  • Hele tekst lezen: je leest de hele tekst van begin tot eind
  • Ophelderen: je herleest stukjes tekst en je probeert de betekenis van moeilijke woorden of zinnen te achterhalen.
  • Vragen stellen: je vraagt je steeds af wat je nu gelezen hebt en wat de schrijver wil zeggen.
  • Samenvatten: je zet voor jezelf (in je hoofd of op papier) de belangrijkste informatie op een rijtje.
  • Terugkijken: je vraagt je af of je nu voldoende weet en of je nog iets moet navragen.
Grondig lezen

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Signaalwoorden geven verbanden tussen alinea's en zinnen aan. Er zijn veel verschillende soorten verbanden. 
Signaalwoorden

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

'Tegenover, maar, hoewel' zijn signaalwoorden die horen bij het tekstverband...
A
Opsommend verband
B
Chronologisch verband
C
Conclusie
D
Tegenstellend verband

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

timer
0:20
Signaalwoord van
tegenstellend
verband

Slide 8 - Mind map

maar, toch, terwijl, ook al, hoewel, ofschoon, daar staat tegenover, niettemin, echter, daarentegen, integendeel, in tegenstelling tot, enerzijds … anderzijds, desondanks, alleen, hoewel
timer
0:20
Signaalwoord van
opsommend
verband

Slide 9 - Mind map

en, ook, nog, bovendien, verder, daarnaast, tevens, zowel… als, ten eerste, ten tweede, allereerst, ten slotte, maar ook 
timer
1:00
Signaalwoord van
redengevend
verband

Slide 10 - Mind map

want, omdat, daarom, hierom, om deze reden, op grond van, aangezien, immers, dus
timer
0:20
Signaalwoord van
chronologisch/
tijdaangevend
verband

Slide 11 - Mind map

nu, nadat, toen, eerst, later, daarna, intussen, dadelijk, straks, daarnet, vroeger, tegenwoordig, destijds
timer
0:20
Signaalwoord van
concluderend
verband

Slide 12 - Mind map

dus, hieruit volgt, dan ook, concluderend
Je kunt niet op vakantie, want je hebt je geld uitgegeven aan een skateboard.
A
redengevend verband
B
chronologisch verband
C
opsommend verband
D
voorwaardelijk verband

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Eerst moet je naar werk gaan zoeken. Daarna kun je gaan sparen.
A
redengevend verband
B
chronologisch verband
C
opsommend verband
D
voorwaardelijk verband

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Vraag
Vorig jaar sportte ik drie keer in de week, maar daar heb ik nu geen tijd meer voor.

Welk signaalwoord? Welk tekstverband?

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Antwoord
Vorig jaar sportte ik drie keer in de week, maar daar heb ik nu geen tijd meer voor.

maar = signaalwoord = tegenstellend verband

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

VERWIJSWOORDEN
Verwijswoorden verwijzen meestal 
naar een woord dat al eerder genoemd is of 
wijzen vooruit naar een woord dat nog genoemd gaat worden.

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

DEZE, DIE, DIT, DAT
Dit zijn verwijswoorden.

dezE en diE gebruik je bij dE-woorden
diT en daT gebruik je bij heT-woorden



Slide 18 - Slide

This item has no instructions

de-woorden
Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord de bij staat, 
is een mannelijk of vrouwelijk woord 
of een woord in het meervoud. 

Daar kun je naar verwijzen met de 
aanwijzende voornaamwoorden deze en die.



dE eindigt op een E - dezE en diE eindigen ook op een E

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

het-woorden
Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord het bij staat, 
is een onzijdig woord. 

Daar kun je naar verwijzen met de 
aanwijzende voornaamwoorden dit en dat.



heT eindigt op een T - dien daT eindigen ook op een T

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Verwijswoorden - voorbeeld


de-woorden: verwijs met deze of die



het-woorden: verwijs met dit of dat

de-woorden en het-woorden
Deze deur is op slot, maar die daar is wel open.
(de deur)
Dat paard is wild, maar dit hier is rustig.
(het paard)

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

de aanvoerder
A
deze aanvoerder
B
dit aanvoerder

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Waar wordt het goede verwijswoord gebruikt?

de conclusie
A
deze conclusie
B
dit conclusie

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Welk verwijswoord kun je gebruiken om naar het woord 'kat' te verwijzen?
A
die, deze
B
dat, dit

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Welk verwijswoord kun je gebruiken om naar het woord 'katje' te verwijzen?
A
die, deze
B
dat, dit

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Ik eet het liefst melkchocola, ... vind ik lekkerder dan pure.
A
dat
B
die

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Lucas kreeg een handtekening van de zanger .... hij fan is.
A
van wie
B
waarvan

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Het paard .... ik naar de wedstrijd ga, is bruin.
A
met wie
B
waarmee

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Wij krijgen een kat ... uit het dierenasiel komt.
A
dat
B
die

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions