test - het menselijk lichaam

1 / 28
next
Slide 1: Slide
New lesson editorGezondheidskundePraktijkonderwijsLeerjaar 1,4

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Wat weet je van het menselijk lichaam?

welke botten weet je nog?

Het skelet/geraamte

Hoeveel botten heeft een mens?

A

200

B

206

C

260

D

300

Welke organen worden door je ribben beschermd?

A

je hersenen en hart

B

je hart en longen

C


D


Welk orgaan wordt beschermd door je schedel?

A

je hersenen

B

je longen

C


D


Hoe heet dit bot?

A

Wervelkolom

B

Schedel

C


D


Hoe heten deze botten?

A

Schedel

B

Ribben

C


D


Wat zijn je 'ledematen'?

A

je armen en benen

B

vrienden die medelijden met je hebben

C

armen

D

benen

Een sleutelbeen zit aan je bovenbeen.

A

dit klopt

B

dit is onjuist

C


D


Een ellepijp zit in je romp.

A

dit klopt

B

dit is onjuist

C


D


Een kuitbeen zit in je onderbeen.

A

dit klopt

B

dit is onjuist

C


D


Welke gewrichten weet je nog?

Wat is de functie van een gewricht?

A

Voor de stevigheid

B

Beweging mogelijk maken

C

Aanhechting van de spieren

D


Onderdelen gewricht

Gewrichtskapsel: houdt botten bij elkaar en maakt gewrichtssmeer

Kraakbeenlaagje: makkelijker bewegen en tegen slijtage

Gewrichtssmeer: makkelijker bewegen.

Gewrichtskapsel: Extra versteviging







gewrichtskom

gewrichtkogel

gewrichtsmeer

kraakbeenlaagje

gewrichtkapsel

Waar kan je lichaam door bewegen?

A

Alleen door botten

B

Door botten en spieren samen

C

Alleen door spieren

D


je spieren zitten vast aan je skelet met

A

pezen

B

spierbundels

C

vliezen

D

spieren





Kniegewricht

Enkelgewricht

Schoudergewricht

Handgewricht

Dit zorgt ervoor dat de botten minder snel slijten

A

Kraakbeen

B

Kapselband

C

Gewrichtssmeer

D

Gewrichtskogel

Dit helpt mee om de botten op hun plaats te houden

A

Kraakbeen

B

Kapselband

C

Gewrichtssmeer

D

Gewrichtskogel

Dit zorgt er voor dat alles soepel beweegt.

A

Kraakbeen

B

Kapselband

C

Gewrichtssmeer

D

Gewrichtskogel

In de gewrichtskom zit de:

A

Gewrichtskogel

B

Gewrichtskapsel

C


D


Als je je arm buigt dan:

A

Trekken dan samen

B

worden langer

C


D







de lever

de longen

het hart

de maag

de darmen