H5 De wet als belangrijkste rechtsbron

H5 

De wet als belangrijkste bron
1 / 30
next
Slide 1: Slide
JuridischMBOStudiejaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

H5 

De wet als belangrijkste bron

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
  • uitleggen wat een algemeen verbindend voorschrift is 
  • het verschil tussen een wet in formele en een wet in materiële zin uitleggen
  • vier wetgevers benoemen die algemeen verbindende voorschriften maken
  • de drie voorrangsregels beschrijven
  • de gang van een wetsontwerp beschrijven.

Slide 2 - Slide

Wet = overheidsregel
Geldt voor iedereen en is dus een algemeen verbindend voorschrift
Alle overheidsorganen met wetgevende bevoegdheid kunnen algemeen verbindende voorschriften maken

Slide 3 - Slide

Wie maakt ook al weer.....?
Een  Wet
Een AMvB
Een ministeriële regeling
Een provinciale verordening
Een gemeentelijke verordening

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Wetten in formele zin
Wetten in materiële zin

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Wet in formele zin
Gemaakt door hoogte wetgevingsorgaan in Nederland: Regering en Staten-Generaal (formele wetgever)
Herkennen door woord WET in de titel
Voorbeelden: Begrotingswetten

Slide 8 - Slide

Wet in materiële zin
Algemeen verbindende voorschriften, gelden dus voor iedereen!

Slide 9 - Slide

Wet in formele/materiële zin/beide of geen van beide... 
  1. art. 350 Wetboek van Strafrecht, waarin beschadiging van goederen strafbaar wordt gesteld
  2. Afvalstoffenverordening van de gemeente Schoonwerk voor het plaatsen en scheiden van afval 
  3. de toestemming, verleend door de regering en beide Kamers samen, voor het huwelijk van onze voormalige kroonprins

Slide 10 - Slide

Hoe zat het ook alweer?

Slide 11 - Slide

Wie maakt welke regeling?
Wet in formele zin
AMvB
Ministeriële regeling
Gemeentelijke verordening
Regering samen met  Staten-Generaal
Regering
Gemeenteraad
Minister

Slide 12 - Drag question

Wat is een algemeen verbindend voorschrift?
A
Een lokale verordening
B
Een persoonlijke aanbeveling
C
Een regel die voor iedereen geldt
D
Een tijdelijke maatregel

Slide 13 - Quiz

Wat is het verschil tussen formele en materiële wet?
A
Formeel: schriftelijk, materieel: mondeling
B
Formeel: lokaal, materieel: nationaal
C
Formeel: door wetgever, materieel: inhoud
D
Formeel: tijdelijk, materieel: permanent

Slide 14 - Quiz

Welke wetgevers maken algemeen verbindende voorschriften?
A
Provincies
B
Europese Unie
C
Rijksoverheid
D
Gemeenten

Slide 15 - Quiz

Wie is geen wetgever?
A
Rijksoverheid
B
Individuele burgers
C
Gemeenten
D
Provincies

Slide 16 - Quiz

Wat zijn de drie voorrangsregels?
A
Hogere wet gaat voor lagere
B
Bijzondere wet gaat voor algemene
C
Nationale wet gaat voor Europese
D
Europese wet gaat voor nationale

Slide 17 - Quiz

Hiërarchie van wetgeving
Er zijn drie voorrangsregels:
  1. Hogere wetgeving gaat voor lagere wetgeving
  2. Nieuwe wetgeving gaat voor oude wetgeving, bij gelijke rang
  3. Bijzondere wetgeving gaat voor algemene wetgeving, bij gelijke rang

Slide 18 - Slide

In de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Heerlen staat dat het strafbaar is afval op straat te gooien. Er staat een boete op van maximaal € 3.000,-. De gemeenteraad is de overlast door het weggooien van afval moe en besluit de APV te wijzigen en de doodstraf in te voeren. De APV is tegenstrijdig met art. 114 van de Grondwet. Welke regeling gaat voor?
A
De APV
B
art. 114 van de GW

Slide 19 - Quiz

Sinds 1 januari 2020 is de WAB in werking getreden. Voorheen kreeg je een vast contract nadat je twee jaar in tijdelijke contracten had gewerkt voor dezelfde werkgever. Sinds de WAB geldt hiervoor een periode van 3 jaar. Dit is een voorbeeld van:
A
hoog gaat voor laag
B
bijzonder gaat voor algemeen
C
nieuw gaat voor oud

Slide 20 - Quiz

In art. 69 van de Vreemdelingenwet staat dat de bezwaartermijn vier weken is. In de Algemene Wet Bestuursrecht geldt een bezwaartermijn van zes weken. Welke wet gaat voor op basis van welke 'regel'
A
De Awb gaat voor op basis van algemeen gaat voor bijzonder
B
De vreemdelingenwet gaat voor op basis van bijzonder gaat voor algemeen

Slide 21 - Quiz

Opdrachten
Bespreken opdracht 1 t/m 6 uit boek BOOM / digitaal

Slide 22 - Slide

De gang van een wetsontwerp
  1. Voorbereiding wetsvoorstel op ministerie
  2. Bespreking in de ministerraad
  3. Advies Raad van State
  4. Stemming in de Tweede Kamer
  5. Stemming in de Eerste kamer
  6. Ondertekening door minister en koning
  7. Publicatie in het Staatsblad, daarna treedt de wet in werking

https://www.tweedekamer.nl/zo-werkt-de-kamer/hoe-komt-een-wet-tot-stand

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Link

Slide 25 - Video

Opdracht
Noem één wet waarvan jij vandaag nog last zou hebben als hij er niet was en motiveer. Voorbeelden:
  • Verkeersregels
  • Huurrecht
  • Privacywetgeving
  • Leerplichtwet
  • Arbeidsrecht (minimumloon)

Laat 2–3 studenten kort delen.
Doel: ze beseffen dat wetten hun dagelijks leven bepalen.

Slide 26 - Slide

Opdracht Van nieuws naar wet
Kies een actueel nieuwsbericht waarin een mogelijk nieuwe wet wordt besproken. Voorbeelden:
  • Verbod lachgas
  • Aangescherpte regels online gokken
  • Strengere straffen jonge veelplegers
  • Verbod op designerdrugs

Slide 27 - Slide

Websites
Rijksoverheid – Hoe komt een wet tot stand?
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/wetten-en-regels/hoe-komt-een-wet-tot-stand
Tweede Kamer – Uitleg wetgevingsproces
https://www.tweedekamer.nl
Eerste Kamer – Behandeling wetsvoorstellen
https://www.eerstekamer.nl

Slide 28 - Slide

Stap 2
Onderzoek het nieuwsbericht. Geef antwoord op de volgende vragen:
  1. Over welk wetsvoorstel gaat dit bericht precies?
  2. Welk probleem probeert het wetsvoorstel op te lossen?
  3. Wie is de initiatiefnemer? Minister? Tweede Kamerlid (initiatiefwet)?
  4. In welke fase van het wetgevingsproces bevindt dit wetsvoorstel zich op dit moment? Geef aan waar je dit hebt gevonden.
Tip: Vaak staat in het nieuws: “Het voorstel ligt nu bij…”, “De Tweede Kamer debatteert over…”, “De ministerraad is akkoord…”.

Slide 29 - Slide

Opdracht: puzzel maken


Maak een puzzel van één hoofdstuk (1 t/m 5)

Slide 30 - Slide