This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 15 min
Items in this lesson
Balans en balansmutaties
Slide 1 - Slide
In de toekomst ...
Loondienst
ZZP'er
Rijk trouwen
Uitkering
Eigen bedrijf
Anders?
Slide 2 - Poll
Slide 3 - Video
Een eigen bedrijf - de balans
Slide 4 - Slide
Waarom moet de balans altijd in balans zijn?
Slide 5 - Slide
De balans
Debet = bezit
Credit = hoe is het bezit gefinancierd?
Vermogen zit vast in stenen
Vermogen kan direct gebruikt worden
Vermogen hoeft nooit terugbetaald te worden
Vermogen = schuld moet snel terugbetaald te worden (aflossing)
Kost geld: rente
= gestort door eigenaar +/- winst en verlies
Slide 6 - Slide
Een eigen bedrijf - de balans
Schrijf de 6 categorieën over op je balans
Pak nu je lijst met spullen die je nodig hebt er weer bij en neem deze op in één van de 3 categorieën aan de debetzijde van de balans
Doe het zelfde met het geld wat je zelf inbrengt en het geld wat je moet lenen en zet dit in de juiste categorie aan de creditzijde.
Slide 7 - Slide
Voorbeeld van een bedrijfsbalans
Er bestaat geen standaard balans want elke onderneming heeft andere bezittingen nodig. Een snackbar heeft bijvoorbeeld geen bedrijfsauto nodig, maar een koeriersbedrijf wel.
crediteuren = het bedrag wat de onderneming nog te betalen heeft aan haar leveranciers (gekocht op rekening)
Inventaris = de waarde van alle kleinere kapitaalgoederen bij elkaar die langer dan één jaar of één productieproces meegaan. Voorbeelden: een kassa, laptop, toonbank, kast, bureau etc.
Slide 8 - Slide
Als je een gebouw huurt, komt deze dan op de balans te staan?
Debet = bezit
Credit = hoe is het bezit gefinancierd?
Vermogen zit vast in stenen
Vermogen kan direct gebruikt worden
Vermogen hoeft nooit terugbetaald te worden
Vermogen = schuld moet snel terugbetaald te worden (aflossing)
Kost geld: rente
= gestort door eigenaar +/- winst en verlies
Slide 9 - Slide
Als je een gebouw huurt, komt deze dan op de balans te staan? Nee, het is niet jouw bezit
Debet = bezit
Credit = hoe is het bezit gefinancierd?
Vermogen zit vast in stenen
Vermogen kan direct gebruikt worden
Vermogen hoeft nooit terugbetaald te worden
Vermogen = schuld moet snel terugbetaald te worden (aflossing)
Kost geld: rente
= gestort door eigenaar +/- winst en verlies
Slide 10 - Slide
timer
0:45
Liquide middelen
Eigen vermogen
Kort vreemd vermogen
Lang vreemd vermogen
Vaste activa
Vlottende activa
Slide 11 - Drag question
Balansposten
Inventaris - één post waar alle kleinere vaste activa onder vallen Voorbeeld bij een winkel; de kassa, toonbank, kledingrek, hangertjes
Debiteuren - het bedrag wat door klanten nog aan de onderneming betaald moet worden. (vordering = bezit) Herkennen: "verkocht op rekening" of "wordt na 14 dagen betaald..."
Crediteuren - het bedrag wat door de onderneming betaald moet worden aan leveranciers (= schuld) Herkennen: "gekocht op rekening" of "Moet na 14 dagen betaald worden.."
Slide 12 - Slide
Onder welke categorie valt een bedrijfsauto?
A
Liquide middelen
B
Eigen vermogen
C
Vlottende activa
D
Vaste activa
Slide 13 - Quiz
Liquide middelen
Vaste activa
Vlottende activa
Eigen vermogen
Kort vreemd vermogen
Lang <span>vreemd vermogen</span>
Gebouw
Bedrijfsterrein
Rabobank rekening
Kas
Debiteuren
Lening (5 jaar)
Hypothecaire lening
Crediteuren
Lening (<1 jaar)
Slide 14 - Drag question
Wat is de beste omschrijving van vlottende activa?