LINK Thema 15
Les 4
LINK Thema 15
Les 4
Les 15.4: afmaken: berichten op Marktplaats
Herhaling:
Grammatica: praten over vroeger
Oefenen met grote getallen
Woordenschat: woorden raden
Grammatica: bijzinnen
Woordenschat: KAHOOT
Test Thema 15
Wat gaan we doen?
Onvoltooide tijd: Vertellen over vroeger
Ik trouwde
Jij trouwde
Hij/zij trouwde
U trouwde
Wij trouwden
Jullie trouwden
Zij trouwden
Ik werkte
Jij werkte
Hij/zij werkte
U werkte
Wij werkten
Jullie werkten
Zij werkten
Ik wil €50 betalen.
Is de wieg in goed staat?
Welke kleur heeft de wieg?
Welk bedrag wilt u?
Ik wil 50 euro betalen, is dat genoeg?
Hallo,
Ik wil 20 euro betalen voor de wieg.
Is de wieg nog beschikbaar?
Kunt u hem morgen brengen?
Groeten,
Ahmad.
Ik wil 45 euro betalen. welke maten en kleur heeft de wieg?Is de wieg inclusief de matras?
Hoi Manisha!
Ik kan de wieg zaterdag om 14:00 uur ophalen.
Ik wil contant betalen.
Groeten,
Zahra.
Hoi!
Ja natuurlijk, ik kan op vrijdag, om 12 uur komen,
Ik wil graag 200 euro betalen en ik betaal online.
Groeten, Ghder
Hoi Mansiha,
Ik kan zaterdag komen.
Ik wil contant betalen.
Bedankt.
Groeten.
Ahmad.
Hoi, Manisha. Ik kom morgen om 14:00 uur. Ik wil contant betalen. Groetjes, Sabah
Vragen over vroeger 1
Waar woonde je toen je klein was?
Hoe zag je huis eruit?
Met wie woonde je samen?
Wat deed je na school?
Waar speelde je meestal?
Vragen over vroeger 2
Welke spelletjes speelde je als kind?
Wat at je graag toen je klein was?
Ging je vroeger op vakantie?
Wie was je beste vriend of vriendin vroeger?
Wat was een mooie dag in je leven?
Grote getallen
A
14
40
13
30
18
80
B
700
720
532
418
963
1000
C
1020
1340
5291
7654
3003
10.000
Lees de getallen
A
18
57
136
808
1240
2034
10.000
B
13
93
274
512
1721
5087
100.000
C
11
42
787
313
1112
8796
250.000
Welk woord is het?
Welk woord is het?
Welk woord is het?
Welk woord is het?
Welk woord is het?
Welk woord is het?
Welk woord is het?
Welk woord is het?
Ik moet eigenlijk naar school, .................. ik heb geen zin.
omdat
maar
want
dat
Marije kijkt naar een film
.... ze eet popcorn.
en
want
omdat
maar
Joris ging naar huis,
....... hij hoofdpijn had.
want
omdat
dat
en
Raza lust zijn soep niet,
........ de soep is te zout.
omdat
want
of
dat
Ik heb een broer,
................ ik heb geen zus.
maar
omdat
want
of
De juf heeft het lokaal versierd, .......... het is feest vandaag
omdat
of
maar
want
Gebruik het voegwoord... Ik kan geen auto kopen. Ik heb niet genoeg geld.
OMDAT
Gebruik het voegwoord... Ik ga naar de tandarts. Ik heb kiespijn.
OMDAT
Gebruik het voegwoord... Er is geen les. De docent is ziek.
OMDAT
Ik denk dat...
bijzinnen met "dat"
Werkwoorden met "dat"
Er zijn werkwoorden die we vaak met dat gebruiken, zoals:
denken
vinden
hopen
geloven
zeggen
willen
weten
Werkwoorden met "dat"
Er zijn werkwoorden die we vaak met dat gebruiken, zoals:
Ik denk dat ...
Laura vindt dat ...
Mijn broer hoopt dat ...
Linda gelooft dat ...
De docent zegt dat ...
Ze wil dat ...
Ik weet dat ...
Routines
Herhaal:
Ik denk dat je naar huis moet gaan.
Laura vindt dat haar ouders gelijk hebben.
Mijn broer hoopt dat het niet gaat regenen.
Linda gelooft dat Sinterklaas echt bestaat.
Ze wil dat je nu naar huis komt.
De docent zegt dat we alle nieuwe woorden moeten opschrijven.
Ik weet dat je het heel druk hebt.
Ja/nee vragen
Vind je dat ik goed Nederlands spreek?
Denk je dat het gaat regenen?
Wil je dat ik je morgen help?
Hoop je dat je snel werk hebt?
Geloof je dat dieren kunnen praten?
Zegt de docent dat het pauze is?
Ahmad wil dat ...
zijn kinderen altijd goed eten.
zijn kinderen eten altijd goed.
eten zijn kinderen altijd goed.
Anton wil dat ...
je belt hem vanavond.
je hem vanavond belt.
bel je hem vanavond.
Zelda gelooft dat ...
we rijden over tien jaar in vliegende auto's.
rijden we over tien jaar in vliegende auto's.
we over tien jaar in vliegende auto's rijden.
Wat hoop jij voor morgen?
Wat vind jij van de treinen in Nederland?
Hoe goed begreep je de les vandaag?
Ik begreep het helemaal niet
Ik begreep het een beetje
Ik begreep het half
Ik begreep bijna alles
Ik begreep alles
TEST THEMA 15
1) Je telefoon zit in je tas.
2) Je maakt het huiswerk vóór de les.
3) Je luistert als de docent praat.
4) Je komt op tijd.
5)
Afspraken voor onze groep