Link Thema 15 Les 4

LINK Thema 15

Les 4

1 / 39
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Middelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

LINK Thema 15

Les 4

Les 15.4: afmaken: berichten op Marktplaats

Herhaling:

  • Grammatica: praten over vroeger

  • Oefenen met grote getallen

  • Woordenschat: woorden raden

  • Grammatica: bijzinnen

  • Woordenschat: KAHOOT

Test Thema 15




Wat gaan we doen?

Onvoltooide tijd: Vertellen over vroeger

Ik trouwde

Jij trouwde

Hij/zij trouwde

U trouwde


Wij trouwden

Jullie trouwden

Zij trouwden

Ik werkte

Jij werkte

Hij/zij werkte

U werkte


Wij werkten

Jullie werkten

Zij werkten

Ik wil €50 betalen.

Is de wieg in goed staat?

Welke kleur heeft de wieg?

Welk bedrag wilt u?

Ik wil 50 euro betalen, is dat genoeg?

Hallo,

Ik wil 20 euro betalen voor de wieg.

Is de wieg nog beschikbaar?

Kunt u hem morgen brengen?

Groeten,

Ahmad.

Ik wil 45 euro betalen. welke maten en kleur heeft de wieg?Is de wieg inclusief de matras?

Hoi Manisha!

Ik kan de wieg zaterdag om 14:00 uur ophalen.

Ik wil contant betalen.

Groeten,

Zahra.

Hoi!

Ja natuurlijk, ik kan op vrijdag, om 12 uur komen,

Ik wil graag 200 euro betalen en ik betaal online.

Groeten, Ghder

Hoi Mansiha,

Ik kan zaterdag komen.

Ik wil contant betalen.

Bedankt.

Groeten.

Ahmad.

Hoi, Manisha. Ik kom morgen om 14:00 uur. Ik wil contant betalen. Groetjes, Sabah

Vragen over vroeger 1

  1. Waar woonde je toen je klein was?

  2. Hoe zag je huis eruit?

  3. Met wie woonde je samen?

  4. Wat deed je na school?

  5. Waar speelde je meestal?


Vragen over vroeger 2

  1. Welke spelletjes speelde je als kind?

  2. Wat at je graag toen je klein was?

  3. Ging je vroeger op vakantie?

  4. Wie was je beste vriend of vriendin vroeger?

  5. Wat was een mooie dag in je leven?

Grote getallen

A

14

40

13

30

18

80


B

700

720

532

418

963

1000


C

1020

1340

5291

7654

3003

10.000


Lees de getallen

A

18

57

136

808

1240

2034

10.000


B

13

93

274

512

1721

5087

100.000


C

11

42

787

313

1112

8796

250.000


Welk woord is het?

Welk woord is het?

Welk woord is het?

Welk woord is het?

Welk woord is het?

Welk woord is het?

Welk woord is het?

Welk woord is het?

Ik moet eigenlijk naar school, .................. ik heb geen zin.

A

omdat

B

maar

C

want

D

dat

Marije kijkt naar een film

.... ze eet popcorn.

A

en

B

want

C

omdat

D

maar

Joris ging naar huis,

....... hij hoofdpijn had.

A

want

B

omdat

C

dat

D

en

Raza lust zijn soep niet,

........ de soep is te zout.

A

omdat

B

want

C

of

D

dat

Ik heb een broer,

................ ik heb geen zus.

A

maar

B

omdat

C

want

D

of

De juf heeft het lokaal versierd, .......... het is feest vandaag

A

omdat

B

of

C

maar

D

want

Gebruik het voegwoord... Ik kan geen auto kopen. Ik heb niet genoeg geld.

OMDAT

Gebruik het voegwoord... Ik ga naar de tandarts. Ik heb kiespijn.

OMDAT

Gebruik het voegwoord... Er is geen les. De docent is ziek.

OMDAT

Ik denk dat...

bijzinnen met "dat"

Werkwoorden met "dat"

Er zijn werkwoorden die we vaak met dat gebruiken, zoals:

  1. denken

  2. vinden

  3. hopen

  4. geloven

  5. zeggen

  6. willen

  7. weten

Werkwoorden met "dat"

Er zijn werkwoorden die we vaak met dat gebruiken, zoals:

  1. Ik denk dat ...

  2. Laura vindt dat ...

  3. Mijn broer hoopt dat ...

  4. Linda gelooft dat ...

  5. De docent zegt dat ...

  6. Ze wil dat ...

  7. Ik weet dat ...

Routines

Herhaal:

  1. Ik denk dat je naar huis moet gaan.

  2. Laura vindt dat haar ouders gelijk hebben.

  3. Mijn broer hoopt dat het niet gaat regenen.

  4. Linda gelooft dat Sinterklaas echt bestaat.

  5. Ze wil dat je nu naar huis komt.

  6. De docent zegt dat we alle nieuwe woorden moeten opschrijven.

  7. Ik weet dat je het heel druk hebt.

Ja/nee vragen

  1. Vind je dat ik goed Nederlands spreek?

  2. Denk je dat het gaat regenen?

  3. Wil je dat ik je morgen help?

  4. Hoop je dat je snel werk hebt?

  5. Geloof je dat dieren kunnen praten?

  6. Zegt de docent dat het pauze is?

Ahmad wil dat ...

A

zijn kinderen altijd goed eten.

B

zijn kinderen eten altijd goed.

C

eten zijn kinderen altijd goed.

Anton wil dat ...

A

je belt hem vanavond.

B

je hem vanavond belt.

C

bel je hem vanavond.

Zelda gelooft dat ...

A

we rijden over tien jaar in vliegende auto's.

B

rijden we over tien jaar in vliegende auto's.

C

we over tien jaar in vliegende auto's rijden.

Wat hoop jij voor morgen?

Wat vind jij van de treinen in Nederland?

Hoe goed begreep je de les vandaag?

1

Ik begreep het helemaal niet

2

Ik begreep het een beetje

3

Ik begreep het half

4

Ik begreep bijna alles

5

Ik begreep alles

TEST THEMA 15

1) Je telefoon zit in je tas.

2) Je maakt het huiswerk vóór de les.

3) Je luistert als de docent praat.

4) Je komt op tijd.

5)





Afspraken voor onze groep