2022_week4_1mh_(on)bepaalde lidwoorden

1 / 19
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 19 slides, with text slides and 1 video.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Du hast 3 min für:


Je hebt 3 min om: 

  • jas uit

  • mobiel in je tas staat op stil
  • laptop gesloten op tafel
  • boek/schrift/pen op tafel
timer
3:00
Als de timer gestopt is zie ik iedereen de woordjes van Lektion 6 op blz. 45 schrijven

Slide 3 - Slide

Wörter schreiben
- Schrijf de woordjes en redemittel van Lektion 6 op blz. 45 herhaaldelijk op
- Van NL-DU en DU-NL
timer
8:00

Slide 4 - Slide

Wörter Lektion 6 abfragen

Slide 5 - Slide

Was machen wir heute?
  • Wörter schreiben und abfragen
  • Erklärung Artikeln
  • An die Arbeit 
  • Lesen und Hören
  • Abschluss/ Hausaufgaben

Slide 6 - Slide

Lernziel

  • Aan het einde van de les weet je welk bepaald lidwoord der, die of das je gebruikt voor de zelfstandige naamwoorden, doordat je opdrachten maakt.
  • Welk onbepaald lidwoord ein, eine, kein, keine je gebruikt voor de zelfstandige naamwoorden, doordat je opdrachten maakt.

Slide 7 - Slide

Welke lidwoorden?
Bepaalde lidwoorden de en het 

Mannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
Meervoud
  •  der, die, das, die
  • der
  • die
  • das
  • die

Slide 8 - Slide

Wanneer mannelijk?
  • Mannelijke personen, dieren en beroepen
  • de dagen
  • de seizoenen
  • de maanden
  • de dagdelen

Slide 9 - Slide

Wanneer vrouwelijk?
  • vrouwelijke personen, dieren en beroepen
  • woorden die eindigen op: -heit, -keit, -ung, -e

Slide 10 - Slide

Wanneer onzijdig?
  • woorden die in het Nederlands -het woorden zijn, zoals het huis (das Haus), het paard (das Pferd).
  • verkleinwoorden: deze woorden eindigen op -chen en -lein. Het meisje (das Mädchen), het boekje (das Buchlein)

Slide 11 - Slide

Onbepaald lidwoord
een of geen
  • ein of eine 
  • kein of keine

Slide 12 - Slide

An die Arbeit

  • Machen im Buch: 
Aufgabe 9 auf Seite 32 (Zet de zelfstandige naamwoorden in de juiste kolom. Kies der, die of das. Je mag het woord online opzoeken. )
Aufgabe 10 auf Seite 32 (Kies ein/eine of kein/keine)
Aufgabe 11 auf Seite 32 (Vertaal het Nederlandse woord voor de zin. Kijk naar het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Deze staat erachter. (o), (m), (v) of (mv)).
  • Hulp: Grammatik D op blz. 31
  • Wie? Eerste 10 minuten in stilte 
  • Fertig? Maak opdracht 2 op blz. 33 met behulp van de Lernbox Lektion 5 op blz. 44. Kies de juiste vertaling. 
timer
15:00

Slide 13 - Slide

Hören Aufgabe 3, Seite 34
  • We luisteren naar 2 audiofragmenten 
  • We lezen eerst per fragment de uitspraken
  • We luisteren naar de fragmenten en tijdens het luisteren moet je per bewering omcirkelen wat het juiste antwoord is.

Slide 14 - Slide

Leseaufgabe
  1. We lezen samen de tekst op blz. 34
  2. We maken samen opdracht 4

Slide 15 - Slide

Lernziel
- Aan het einde van de les weet je welk bepaald lidwoord der, die of das je gebruikt voor de zelfstandige naamwoorden, doordat je opdrachten maakt.
- Welk onbepaald lidwoord ein, eine, kein, keine je gebruikt voor de zelfstandige naamwoorden, doordat je opdrachten maakt.

Slide 16 - Slide

Hausaufgaben
Machen: Aufgabe 6, Seite 35

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Tschüss 😁
Tschüss und bis Morgen!!

Slide 19 - Slide