Les van 25 april

Les van 25 april
Wat gaan we doen?
- Woordenschattest bij thema 6;
- Open en gesloten vragen;
- Betekenis van symbolen;
- Spreekwoorden en uitdrukkingen;
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5;

1 / 58
next
Slide 1: Slide
Nederlands8th Grade

This lesson contains 58 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les van 25 april
Wat gaan we doen?
- Woordenschattest bij thema 6;
- Open en gesloten vragen;
- Betekenis van symbolen;
- Spreekwoorden en uitdrukkingen;
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5;

Slide 1 - Slide

Woordenschat test

We gaan nu de woordenschattest doen die bij Thema 6 hoort. 
Ik deel even een ander scherm met je

Slide 2 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt

Herhaling van vorige week:

Wat was dit ook alweer?

Slide 3 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Wat is dat?

De taart is gebakken --> de gebakken taart

gebakken
zin 1: voltooid deelwoord
zin 2: een bijvoeglijk naamwoord

Slide 4 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Mama heeft een taart gebakken.
We eten de gebakken taart nu op.

De jonge docent heeft de gemaakte werkstukken nagekeken.
Ze geeft de nagekeken werkstukken morgen terug.

Slide 5 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Benoem ALLE woorden:

Mama heeft een taart gebakken.
 
We eten de gebakken taart nu op.


Slide 6 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Benoem ALLE woorden:

Mama heeft een taart gebakken.
  zns        hw    lw    zbw      vdw

We eten de gebakken taart nu op.
psvn ww lw    bvn            znw bep vz

Slide 7 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Benoem ALLE woorden:

De jonge docent heeft de gemaakte werkstukken nagekeken.

Ze geeft de nagekeken werkstukken morgen terug.

Slide 8 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Benoem ALLE woorden:

De jonge docent heeft de gemaakte werkstukken nagekeken.
lw   bvn       znw       hw    lw    bvn               zne                     vdw

Ze geeft de nagekeken werkstukken morgen terug.
pvnw ww lw    bvn               znw                     bep        (ww--> teruggeven)

Slide 9 - Slide

Open en gesloten vragen


Wat is het verschil tussen een open vraag en een gesloten vraag?


Slide 10 - Slide

Open en gesloten vragen
Het belangrijkste verschil is dat:

open vragen uitnodigen tot een uitgebreid antwoord in eigen woorden (beginnend met wie, wat, waar, waarom, hoe)

gesloten vragen beperkt zijn tot een specifiek antwoord, vaak "ja" of "nee".

Slide 11 - Slide

Open vragen
- nodigen uit tot een uitgebreid antwoord in eigen woorden (beginnend met wie, wat, waar, waarom, hoe);
- Open vragen bieden meer informatie en diepgang, terwijl 

Voorbeeld:
 “Wat vind je van deze les?”




Slide 12 - Slide

Gesloten vragen
-  beperken zich tot een specifiek antwoord, vaak "ja" of "nee";
- zijn efficiënt zijn voor feitelijke controle;

Voorbeeld:
 “Is deze les afgerond?” of 
“Vind je deze les leuk?”

Slide 13 - Slide

Open en gesloten vragen


Ga naar blz. 19 van je taal boek en maak oefening 1

Slide 14 - Slide

Open en gesloten vragen


Ga naar blz. 19 van je taal boek en maak oefening 2

Slide 15 - Slide

Suggestieve vragen

- Dit is vaak een gesloten vraag;
- Er zit een antwoord of een oordeel in de vraag verstopt;
- De vragensteller stuurt de antwoorder in een bepaalde richting/ naar het antwoord dat hij graag wil horen.




Slide 16 - Slide

Suggestieve vragen
Voorbeeld:

- Jij komt niet naar het feestje, toch?
- Ik mag hopen dat jij taart lekker vindt.

Slide 17 - Slide

Suggestieve vragen

Ga naar blz. 28 van je taal boek en maak de 'eerst proberen' oefening en maak daarna oefening 1.

Slide 18 - Slide

Symbolen

We gaan het hebben over (universele) symbolen.

Slide 19 - Slide

Symbolen
Vervolgens ga  je naar blz. 38 van je Taalboek

Je leert hier nog meer symbolen.

Slide 20 - Slide

Symbolen
Het gaat hier om UNIVERSELE symbolen: 

dat betekent dat ze wereldwijd/ overal ter wereld hetzelfde betekenen: dat is heel handig!

Slide 21 - Slide

Symbolen
Ga naar blz. 30  van je Taalboek en probeer de oefeningen daar te maken.

Het gaat over allerlei symbolen zoal @, % & etc

Slide 22 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Wat zijn dat ook alweer?

Slide 23 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn vaste, figuurlijke taaluitingen die een cultuur of wijsheid weerspiegelen.

Slide 24 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Er is wel een verschil tussen deze twee.

Slide 25 - Slide

Spreekwoord 
 
Is een onveranderlijke, volledige zin met een levensles
 (bijv. "Rust roest"). 

Slide 26 - Slide

Uitdrukking

Is een flexibel zinsdeel, vaak figuurlijk, zonder moraal 
(bijv. "iets met hart en ziel doen”)

Slide 27 - Slide

Spreekwoord 
Definitie: Een korte, krachtige uitspraak die een algemene waarheid, volkswijsheid of levensles uitdrukt.
Kenmerken: Het is een volledige zin, vaak in de tegenwoordige tijd, die niet veranderd kan worden.

Voorbeelden:
o Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. (Het is beter iets kleins te hebben dan iets groters te begeren dat onzeker is).
o De appel valt niet ver van de boom. (Kinderen lijken vaak op hun ouders).
o Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. (Als er geen (Als er geen toezicht is, doen mensen waar ze zin in hebben)

Slide 28 - Slide

Uitdrukking
Definitie: Een vaste combinatie van woorden met een figuurlijke betekenis die niet direct een levensles bevat.
Kenmerken: Vaak een zinsdeel, niet de hele zin. Ze kunnen grammaticaal worden aangepast (vervoegd).

Voorbeelden:
o Lachen als een boer met kiespijn. (Zuur lachen, lachen om iets wat eigenlijk niet leuk is).
o Iemand een handje helpen. (Iemand ondersteunen).
o Met hart en ziel. (Iets met heel veel toewijding

Slide 29 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen
Belangrijkste Verschillen
Vorm: Een spreekwoord staat vast (bijv. "De aap komt uit de mouw" kun je niet veranderen in "Het aapje komt uit de mouw") een uitdrukking niet.
• Een uitdrukking kun je vervoegen (bijv. "Hij hielp me een handje" / "Zij helpen me een handje").
Inhoud: Spreekwoorden bevatten een levenswijsheid; uitdrukkingen en gezegden zijn vaak figuurlijke beschrijvingen van een situatie

Slide 30 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

- Zowel spreekwoorden als uitdrukkingen maken deel uit van de beeldspraak en maken een taal levendiger en cultuurgebonden;

- Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn weet-dingen: je moet ze leren.

Slide 31 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Ga naar blz. 31 van je Taalboek en maak oefening 1 & 2

Slide 32 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Ga daarna naar blz. 40 en maak daar ‘eerst proberen’ en daarna oefening 1

Slide 33 - Slide

Spelling

We gaan verder met Thema 5

Slide 34 - Slide

Klein dictee
We gaan weer even een klein dictee doen.  We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle en daarna druk je op 'send'.

Slide 35 - Slide


Slide 36 - Open question

Spelling

Werkwoord vervoeging

Slide 37 - Slide

Werkwoord vervoeging
Bekijk de volgende schema.

Ik stuur het je ook toe: print het (liefst in kleur), doe het in een plastic mapje en houd het voortaan altijd bij de hand.

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide

Werkwoord vervoeging

Bekijk de volgende filmpjes en maak aantekeningen!

Slide 40 - Slide

Slide 41 - Video

Slide 42 - Video

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 43 - Slide

Hij (pakken) iets uit de kast.

Slide 44 - Open question

Jij (rijden) veel te hard.

Slide 45 - Open question

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 46 - Slide

Tegenwoordige tijd


UITZONDERING:


Als er 'je' of 'jij' achter het werkwoord staat: nooit een 't' toevoegen.

Slide 47 - Slide

Tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld:


Slaap je altijd met de gordijnen open?

Neem je meestal koffie mee naar het werk?

Dus ook: Word je ook zo moe van de hitte?


Slide 48 - Slide

Tegenwoordige tijd
Maar ALLEEN als het om jou gaat:

Slaapt je moeder altijd met de gordijnen open?

Neemt je zus meestal koffie mee naar het werk?
Dus ook: Wordt je broer ook zo moe van de hitte?

Slide 49 - Slide

Waarom ........ (beladen) jij het dak van de auto zo zwaar?

Slide 50 - Open question

Waarom (worden) je moeder altijd boos als je niet op tijd thuiskomt?

Slide 51 - Open question

Slide 52 - Slide

De uitspraak van de minister ........ veel opzien.

A
baardden
B
baardde
C
baarden
D
baarde

Slide 53 - Quiz

Zij werd al fysiek ........(bedreigen) door haar buurman en nu ........ (bedreigen) hij haar ook via social media.

Slide 54 - Open question

Heb je al gevoeld hoe mijn voorhoofd ........ ?


gloeidt


A
gloeid
B
gloeidt
C
gloeidt
D
gegloeid

Slide 55 - Quiz


Slide 56 - Open question

De chauffeur heeft de bus vakkundig door de smalle straatjes ........
A
gemanoeuvreerd
B
gemanouvreerd
C
gemanoeuvreert
D
gemanouvreert

Slide 57 - Quiz

De weduwe van de ........ juwelier ........ vorige week bij de rechtszaal de moordenaar bijna.
A
vermoordde - vermoordde
B
vermoordde - vermoorde
C
vermoorde - vermoorde
D
vermoorde -vermoordde

Slide 58 - Quiz