le 15 à 19 juin 2026

1 / 30
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Klassenregels
We werken rustig samen in de klas.
We respecteren elkaar. We lachen elkaar niet uit en respecteren elkaars mening en antwoorden.
Tijdens het maken van de opdrachten zijn we rustig bezig en gaan we niet kletsen met klasgenoten.
We doen actief mee met de les
We overleggen zachtjes binnen de MC als we een vraag hebben.
We steken onze vinger op als we iets willen zeggen en/of vragen.
We geven het aan onze docente aan wanneer ons iets dwars zit.
We laten elkaar uitpraten.
We eten en drinken niet in het klaslokaal.
We letten op in de les.
Tijdens het zelfstandig werken mag je oortjes in of een koptelefoon op

Slide 2 - Slide

e
Lesinhoud:
  • Start Up producten supermarkt, chercher, acheter en trouver, kleding, porter en avoir
  • LessonUp oefeningen route beschrijven in het Frans
  • Uitleg en oefening route beschrijven
  • Exit ticket


Lesdoelen: 
  •  Je kunt een beschrijving van een route begrijpen
  • Je kunt een routebeschrijving schrijven
Huiswerk:
  • Producten uit de supermarkt & werkwoorden chercher, trouver en acheter leren tegenwoordige tijd en voltooid tegenwoordige tijd (kijk naar studygo)
  • Kleding, eigenschappen, uiterlijke kenmerken en sporten & porter en avoir (kijk naar studygo) 
  • Verschillende locaties & route beschrijven (kijk naar studygo)

Slide 3 - Slide

Zorg ervoor dat het volgende op tafel ligt:
- Schrift 
- Etui
Laptop is dicht. Werk zelfstandig in stilte.

Start-upslide
Vertaal de volgende zinnen/woordjes naar het Nederlands/Frans:
1. Hij draagt een t-shirt
2. Zij heeft bruine ogen
3. Zij is klein
4. Ik speel volleybal
5. Hij is sportief
6. Il a les yeux bleus
7. Il porte un pull vert
8. J'achète une pêche
9. Nous avons cherché le beurre
10. tu trouves trois bananes


timer
10:00

Slide 4 - Slide


Blauw = 10 en 9
Groen = 8 en 7
Oranje = 6 en 5
Rood = 4 en minder
Start-upslide: Antwoorden
Vertaal de volgende zinnen/woordjes naar het Nederlands/Frans:
1. Hij draagt een t-shirt. Il porte un t-shirt
2. Zij heeft bruine ogen. Elle a les yeux marrons
3. Zij is klein elle est petite
4. Ik speel volleybal je fais du volley/ je joue au volley
5. Hij is sportief il est sportif
6. Il a les yeux bleus hij heeft blauwe ogen
7. Il porte un pull vert hij draagt een groene trui
8. J'achète une pêche ik koop een perzik
9. Nous avons cherché le beurre we hebben de boter gezocht
10. tu trouves trois bananes jij vindt drie bananen

timer
5:00

Slide 5 - Slide

Dans la rue

Slide 6 - Slide

le restaurant
le cinéma<br>
la boulangerie<br>
le marché<br>
le magasin<br>
le théâtre<br>

Slide 7 - Drag question

La mosquée
La maison
La boulangerie
L'école
La librairie
La poste
L'hopital
Le stade
Le jardin
Le magasin des vêtements
La supérette
La boucherie

Slide 8 - Drag question

à droite
à gauche
le carrefour
le rond-point
la rue
traverser
aller
au coin de
tout droit

Slide 9 - Drag question

Indiquer le chemin

Slide 10 - Slide

Sorry, kunt u mij helpen?
Ja, natuurlijk!
Ik zoek het station.
Het is rechtdoor en dan naar links
Je cherche la gare.
C'est tout droit et ensuite à gauche.
Excusez-moi, vous pouvez m'aider?
Oui, bien sûr!

Slide 11 - Drag question

Slide 12 - Video

Route beschrijven (voorbeeld)
Excusez-moi, vous pouvez m'aider? = sorry, kunt u mij helpen?
Je cherche la boulangerie = ik zoek de bakkerij
Vous allez tout droit, ensuite prenez la deuxième rue à gauche = u gaat rechtdoor en neemt vervolgens de tweede straat naar links
La boulangerie est en face de l'hôpital = de bakkerij is tegenover het ziekenhuis

Slide 13 - Slide

Hoe zeg je dat iemand de eerste straat links moet nemen?
A
Vous allez tout droit
B
Vous prenez la première rue à droite
C
Il faut traverser.
D
Vous prenez la première rue à gauche

Slide 14 - Quiz

Vul in:
(Voor) la poste il y a une banque
A
Avant
B
Devant
C
Pour
D
Au bout de

Slide 15 - Quiz

(Tegenover) l'hôpital se trouve un cinéma
A
Au bout de
B
Entre
C
En face de
D
A droite de

Slide 16 - Quiz

Vul in:
Il y a un parc (achter) la maison
A
Derrière
B
Entre
C
Devant
D
En face

Slide 17 - Quiz

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Vertaal 'met de boot'
A
en voiture
B
en moto
C
en avion
D
en bateau

Slide 20 - Quiz

Vertaal; 'met de fiets'
A
en vélo
B
en auto
C
en bateau
D
en avion

Slide 21 - Quiz

Vertaal; 'Nee, het is niet ver.'
A
Oui, c'est très très loin.
B
Non, ce n'est pas loin.
C
C'est vraiment dommage.
D
Je ne suis pas d'accord.

Slide 22 - Quiz

Vertaal:
aan uw linkerhand
A
à gauche
B
à droite
C
sur votre gauche
D
sur votre droite

Slide 23 - Quiz

Vertaal:
Kunt u mij helpen?
A
Vous pouvez m'aider?
B
Vous pouvez m'aimer?
C
Vous pouvez traverser?
D
Vous êtes trop belle.

Slide 24 - Quiz

Devinez la destination
vous êtes ici

Slide 25 - Slide

Vous êtes où? au ......

Slide 26 - Open question

Devinez la destination
vous êtes ici

Slide 27 - Slide

Vous êtes où? à la ......

Slide 28 - Open question

Exit-ticket: Je komt twee personen tegen. De ene persoon wil vanaf het vertrekpunt naar het theater en de andere persoon wil naar het politiebureau.  Maak voor iedere plek een beschrijving van 3 zinnen.
vous êtes ici

Slide 29 - Slide

En nu?
- Oefentoets doorlezen en daarna:
oefentoets maken of de 5 lijsten op StudyGo leren

Slide 30 - Slide