du oder Sie?

Doel: je weet het verschil tussen du en Sie.
1 / 14
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Doel: je weet het verschil tussen du en Sie.

Slide 1 - Slide

Vertaal het woord "jij"
A
du
B
Sie
C
er
D
es

Slide 2 - Quiz

Wat is het woord "u" in het Duits?
A
sie
B
Sie
C
es
D
du

Slide 3 - Quiz

Was ist das?

duzen

Siezen

Slide 4 - Slide

In Nederland zeg je...

"jij" tegen:

"u" tegen:

Slide 5 - Slide

In Duitsland zeg je...

"du" tegen:    ouders, familieleden

                            kinderen van je eigen leeftijd

                            vrienden, goede kennissen


"Sie" tegen:  mensen die je niet kent, ouder dan 16

                           personen die in een organisatie boven je staan

Slide 6 - Slide

Wat zeg je tegen je leraar?
A
du
B
Sie

Slide 7 - Quiz

Wat zeg je tegen je vader?
A
du
B
Sie

Slide 8 - Quiz

Wat zeg je tegen de beste vriend van je broer (14 jaar)?
A
du
B
Sie

Slide 9 - Quiz

Wat zeg je tegen je oma?
A
du
B
Sie

Slide 10 - Quiz

Wat zeg je tegen een klant .
A
du
B
Sie

Slide 11 - Quiz

Waarom zou de ober "du" tegen de klant zeggen???

Slide 12 - Slide

Waarom zou de ober "du" tegen de klant zeggen???

Slide 13 - Open question

Stel de vragen aan je buurman/vrouw.

Hallo, wie geht es Ihnen?
Wie heißen Sie?
Wie alt sind Sie
Wo wohnen Sie?
Wo liegt das denn?
Was für einen Beruf haben Sie?
Ich studiere noch./ Ich bin …….
Kann ich ihre E-mail Adresse haben?
Ja natürlich. Das ist……..
Können Sie das buchstabieren?
@= at      punt=punkt


Slide 14 - Slide