2HV/V 20232024 H6 Formuleren paragraaf 7 Verbanden aanbrengen tussen zinnen

H6 Verbanden tussen zinnen aanbrengen
1 / 12
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

H6 Verbanden tussen zinnen aanbrengen

Slide 1 - Slide

Formuleren H7
Lesdoel: 
Ik kan door het gebruik van verwijs- en signaalwoorden verbanden tussen zinnen aanbrengen.

Slide 2 - Slide


Maak twee samengestelde zinnen van zin a en b. Je mag de volgorde veranderen en woorden toevoegen. Zet in ieder geval één keer zin b voorop, Vervang dan 'Hij' door 'Matthias'.
a. Matthias wil graag drie weken op vakantie.
b. Hij heeft een vakantiebaantje.

Slide 3 - Open question

H6 : Verbanden tussen zinnen aanbrengen

- verwijswoorden
- signaalwoorden

Slide 4 - Slide

Verwijswoorden

Verwijswoorden wijzen terug naar een woord of (een deel van) een zin. Er zijn verschillende soorten verwijswoorden:


– persoonlijke voornaamwoorden: hij, hem, zij, ze, haar, hen, hun;
– bezittelijke voornaamwoorden: zijn, haar, hun;
– aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden: deze, die, dit, dat;
– bijwoorden: er, daar, waar, toen, zo;
waar + voorzetsel of voorzetsel + wie?: waar, waarmee, waarover, waarvoor enz., met wie, over wie, voor wie enz.

Slide 5 - Slide

Tekstverbanden en signaalwoorden
opsomming: om te beginnen, ook, bovendien, daarnaast, vervolgens, verder, ten slotte, en
tegenstelling: maar, toch, daar staat tegenover, echter, desondanks, aan de ene kant ... aan de andere kant
tijd (chronologie): eerst, daarna, dan, toen, eens, vroeger, nu, ooit, later, voordat, nadat, uiteindelijk
oorzaak-gevolg: daardoor, doordat, als gevolg van, zodat
reden: daarom, dus, omdat, want, namelijk, immers, dankzij
voorbeeld: zo, bijvoorbeeld, neem nou, zoals
conclusie/samenvatting: kortom, dus, daarom, al met al, samengevat
voorwaarde: als (..... dan), indien, tenzij, wanneer
Let op er zijn meer signaalwoorden. Dit zijn veel voorkomende

Slide 6 - Slide

In het zuiden van het land sneeuwt het, ... hier valt er regen.
A
daarom
B
tenzij
C
dus
D
maar

Slide 7 - Quiz

Welk verband geeft het signaalwoord 'daarna' aan?
A
tegenstellend
B
chronologisch
C
oorzakelijk
D
opsommend

Slide 8 - Quiz

De cactus houdt van zon, zet ....... daarom op een licht plaats.
A
dat
B
dit
C
deze
D
hun

Slide 9 - Quiz

Jij hebt een rekenmachine ... ik graag mijn wiskunde zou willen maken.
A
waarmee
B
waarin
C
met die
D
met dat

Slide 10 - Quiz

Verbind de volgende zinnen m.b.v. een verwijswoord of signaalwoord.
Het lezen van Engelse boeken is populair. Jongeren vinden Engels vaak leuker dan Nederlands

Slide 11 - Open question

Verbind de volgende zinnen m.b.v. een verwijswoord of signaalwoord.
Rowan heeft al veel geoefend voor het proefwerk Nederlands. Rowan is een ambitieuze leerling.

Slide 12 - Open question