H2 Bijvoeglijk naamwoorden & bijwoorden

H2 Bijvoeglijke naamwoorden & bijwoorden
(Adjectives & Adverbs)

Kern Engels p. 230
1 / 25
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

H2 Bijvoeglijke naamwoorden & bijwoorden
(Adjectives & Adverbs)

Kern Engels p. 230

Slide 1 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord (adjective)

Een bijvoeglijk naamwoord (adjective), zegt iets over:
(Een persoon, dier of ding)
- Een zelfstandig naamwoord:  That was a terrible movie.
                                                                 That movie was terrible.

- Een voornaamwoord:                 He is amazing.

Slide 2 - Slide

Wat is GEEN zelfstandig naamwoord?
A
mother
B
fast
C
ideas
D
house

Slide 3 - Quiz

Wat is GEEN zelfstandig naamwoord?
A
table
B
chair
C
funny
D
cat

Slide 4 - Quiz

Wanneer gebruik je een bijvoegelijk naamwoord?
A
Wanneer het iets zegt over een zelfstandig werkwoord
B
Wanneer het iets zegt over een werkwoord
C
Wanneer het iets zegt over een bijwoord
D
Wanneer het iets zegt over het weer

Slide 5 - Quiz

Bijwoord (adverb)
Een bijwoord (adverb) zegt iets over:
- Een werkwoord:                             He speaks slowly.
- Een bijvoeglijk naamwoord:    Her dress is extremely pretty.
- Een ander bijwoord:                    He speaks very slowly.

Deze bijwoorden vertellen ons vaak op wat voor manier dit gebeurt. 
Ze kunnen uit bijvoeglijk naamwoorden worden gevormd door -ly toe te voegen.  (slow-> slowly / extreme -> extremely)

Slide 6 - Slide

Bijwoord (adverb) - uitzonderingen
Let op: Als een bijvoeglijk naamwoord eindigt op -y (happy),
verandert deze in een -i en komt daar de -ly achter om hier een bijwoord van te maken: happy -> happily

Sommige bijwoorden hebben een onregelmatige vorm, 
zoals fast en hard. 
Het bijvoeglijk naamwoord good veranderd als bijwoord in well
(he works very well)
Hier kan je dus géén -ly achter zetten!

Slide 7 - Slide

Wat is een bijwoord?
A
Het zegt iets over het onderwerp
B
Het zegt iets over een zelfstandig naamwoord
C
Het zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord of een ander bijwoord in de zin

Slide 8 - Quiz

Wat voor functie heeft een bijwoord (adverb)?
A
zegt wie iets doet in een zin
B
geeft meer informatie over hoe iets gedaan wordt
C
geeft informatie over de plaats
D
geeft informatie over de tijd

Slide 9 - Quiz

Hoe vorm je een bijwoord?
A
Werkwoord + s
B
Bijvoeglijk naamwoord + ly
C
Bijvoeglijk naamwoord+ ing
D
Werkwoord + ing

Slide 10 - Quiz


I can swim very ____
A
good
B
well

Slide 11 - Quiz


Your English is ____
A
good
B
well

Slide 12 - Quiz

Slide 13 - Slide

Choose the correct form:

He talked ____
A
nervous
B
nervously

Slide 14 - Quiz

Choose the correct form:

He is an ___ person
A
awful
B
awfully

Slide 15 - Quiz

Choose the correct form:

A tortoise walks ___
A
slow
B
slowly

Slide 16 - Quiz

Choose the correct form:
A lion runs ___
A
fastly
B
more fastly
C
fast
D
fastily

Slide 17 - Quiz

Choose the correct form:

This is a ___ scary movie.
A
terribly
B
terriblely
C
terrible

Slide 18 - Quiz

Choose the correct form:

John held the plate ___
A
careful
B
carefully

Slide 19 - Quiz

Choose the correct form:

Julia is a ___ person
A
careful
B
carefully

Slide 20 - Quiz

Choose the correct form:
She's in hospital with a _______ injured neck.
A
serious
B
seriously

Slide 21 - Quiz

Choose the correct form:

Because of the thick fog I drove _______ carefully.
A
extreme
B
extremely

Slide 22 - Quiz

Choose the correct form:

I know my Geography test __
A
good
B
goodly
C
well
D
best

Slide 23 - Quiz

Choose the correct form:
The garden is ___
A
beautiful
B
beautifully

Slide 24 - Quiz

Choose the correct form:
She skates ___
A
fastly
B
fast

Slide 25 - Quiz