Toonsoort en toonladders (Muziek havo), les 3: Terugblik quiz

VAKTHEORIE · TOONSOORT

QUIZ

Terugblik: Toonsoort en toonladders

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMuziekMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met quiz van tien vragen, waaronder een luistervraag over een toonladder, over de hele stof van toonsoort en toonladders.

Items in this lesson

VAKTHEORIE · TOONSOORT

QUIZ

Terugblik: Toonsoort en toonladders

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Eugène Delacroix / Wikimedia Commons, publiek domein

Video: Rimski-Korsakov: De hommelvlucht, Neeme Järvi (kanaal: Neeme Järvi - Topic). Wat leerlingen horen: een razend snel orkest met loopjes die in kleine stapjes op en neer gaan. Goede antwoord: chromatische toonladder.

Beluister het fragment. Welke toonladder hoor je vooral voorbijsnellen?

A

Pentatonische toonladder

B

Majeurtoonladder

C

Harmonisch mineur

D

Chromatische toonladder

Het fragment is De hommelvlucht van Rimski-Korsakov: snelle loopjes die in halve tonen omhoog en omlaag gaan. Wie pentatonisch kiest, denkt aan een melodie met sprongen in plaats van aaneengesloten halve tonen.

Een stuk begint in C majeur en gaat verder in G majeur. Wat gebeurt er?

A

Er is een modulatie

B

Er is atonaliteit

C

Er is dodecafonie

D

Er is pentatoniek

Een nieuwe grondtoon betekent een modulatie. Wie atonaliteit kiest, denkt dat een wisseling van toonsoort geen toonsoort meer overlaat.

Welke van deze toonsoorten heeft één mol?

A

G majeur

B

C majeur

C

F majeur

D

D majeur

F majeur heeft een mol (Bes). G en D hebben kruisen en C heeft geen voortekens. Wie G kiest, verwart kruisen met mollen.

Zet de majeurtoonsoorten van weinig naar veel kruisen

1

A majeur

2

G majeur

3

D majeur

4

C majeur

C heeft geen kruis, G één, D twee en A drie. Fout: D en G omdraaien.

Wie ontwikkelde de dodecafonie?

A

Edvard Grieg

B

Frédéric Chopin

C

Arnold Schönberg

D

Wolfgang Amadeus Mozart

Schönberg bedacht in de jaren twintig de twaalftoonsmethode. De andere componisten kwamen in de les langs, maar schreven tonale muziek.

Een melodie gebruikt alleen de tonen c d e g a. Welke toonladder is dit?

A

Pentatonische toonladder

B

Majeurtoonladder

C

Chromatische toonladder

D

Harmonisch mineur

Vijf tonen per octaaf zonder halve tonen: pentatoniek. Wie majeur kiest, mist dat de vierde en de zevende toon ontbreken.

Welke voortekens heeft a mineur?

A

Eén kruis

B

Eén mol

C

Drie kruisen

D

Geen voortekens

A mineur is de parallelle toonsoort van C majeur en heeft dus geen voortekens. Wie één kruis kiest, denkt aan e mineur.

Aan het eind klinkt een slotakkoord dat helemaal af voelt. Wat zegt dit?

A

Het stuk is atonaal

B

Het stuk is tonaal

C

Het stuk is dodecafoon

D

Het stuk is chromatisch

Een afgerond slot wijst op een grondtoon, dus op tonale muziek. Atonale en dodecafone muziek hebben geen thuistoon.

Wat blijft gelijk als je van een majeur naar de parallelle mineur gaat?

A

De voortekens

B

De grondtoon

C

De terts boven de grondtoon

D

De tonaliteit

Parallelle toonsoorten hebben dezelfde voortekens. De grondtoon verandert: C wordt a. Wie de tonaliteit kiest, ziet over het hoofd dat majeur mineur wordt.

Welke tonaliteit heeft een oorspronkelijke, harmonische en melodische vorm?

A

Majeur

B

Pentatoniek

C

Mineur

D

Chromatiek

Alleen mineur kent drie vormen. Majeur heeft één vorm.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

♪ VAKTHEORIE · TOONSOORT

GOED GEDAAN!

Je hoort nu of een stuk een thuistoon heeft, of het majeur of mineur is en welke toonladder eronder ligt. Kijk de vragen na die je fout had en luister de fragmenten uit les 1 nog eens.

This item has no instructions