Repaso Gramática unidad 4C1 + Frases claves

Repaso Gramática unidad 4C1
1 / 37
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Repaso Gramática unidad 4C1

Slide 1 - Slide

Gramática unidad 4+frases claves

Gramática unidad 4:
1. Werkwoord “querer” (willen)
2. Onbepaalde lidwoorden (un-una-unos-unas)
3. Werkwoord “hay”
4. Werkwoord “gustar”

Slide 2 - Slide

ww querer - willen / houden van
NL
yo
quiero
ik wil
quieres
jij wilt
él/ella/usted
quiere
hij/zij/u wil
nosotros
queremos
wij willen
vosotros
queréis
jullie willen
ellos/ellas/ustedes
quieren
zij / u mv willen

Slide 3 - Slide

Yo
Él, ella, usted
Nosotros/as
Vosotros/as
Ellos/as, ustedes
quiero
queréis
quieres
queremos
quiere
quieren

Slide 4 - Drag question

querer (nosotros)

Slide 5 - Open question

querer (yo)

Slide 6 - Open question

querer (él)

Slide 7 - Open question

querer (tú)

Slide 8 - Open question

querer (mis padres)

Slide 9 - Open question

Unidad 4. Gramática

Slide 10 - Slide

Plaats de zelfstandige naamwoorden bij het juiste lidwoord.
una
unos
unas
un
chico
carpeta
diccionarios
amigo
bolígrafos
sillas
alumno
chicas
tijeras
lápiz

Slide 11 - Drag question

Schrijf waar nodig het onbepaald lidwoord (un, una, unos, unas):

"De postre quiero.........pera"

Slide 12 - Open question

Schrijf waar nodig het onbepaald lidwoord (un, una, unos, unas):

"¿Dónde hay............restaurante italiano?"

Slide 13 - Open question

Schrijf waar nodig het onbepaald lidwoord (un, una, unos, unas):

"Quiero...........leche y galletas para desayunar"

Slide 14 - Open question

Hay: er is, er zijn
HAY gebruik je voor onbepaalde zaken of personen in zowel enkelvoud als meervoud. HAY gebruik je in combinatie met onbepaalde lidwoorden (un, una, unos, unas, nummers en mucho-s, mucha-s)

Er zijn (liggen) twee appels in de koelkast.      Hay dos manzanas en la nevera.
Er zijn veel winkels in Den Bosch.                  Hay muchas tiendas en Den Bosch.
Er zijn enkele leerlingen in het lokaal.         Hay unos estudiantes en la clase
Er is geen kaas in de koelkast.                        No hay queso en la nevera. 


Slide 15 - Slide

Vertaal naar het Spaans.
Er liggen drie peren in de koelkast.
A
Hay tres manzanas en la nevera.
B
Hay tres peras en la nevera.
C
Hiy tres peras en el nevera.
D
Huy tres peras en la nevera.

Slide 16 - Quiz

Er zijn veel winkels in Dordrecht.
A
Hay muchas tiendas en Dordrecht.
B
Huy mucho tienda en Dordrecht.
C
Hey muchas tiendo en Dordrecht.
D
Hiy mucho tienda en Dordrecht.

Slide 17 - Quiz

Er is geen melk in de koelkast.
A
No hay leche en la nevera.
B
No hay agua en la nevera.
C
Hay leche en la nevera.
D
No hoy leche en la nevera.

Slide 18 - Quiz

Er is geen brood in de koelkast.
A
No hey pan en la nevera.
B
No pan en la nevera.
C
Hay pan en la nevera.
D
No hay pan en la nevera.

Slide 19 - Quiz

Gustar betekent = leuk vinden of houden van.
Hoewel het een werkwoord is op -AR, is het anders dan de andere werkwoorden!

El verbo gustar
GUSTA
GUSTAN
en
Wat je leuk vindt is:
  • Enkelvoud
  • Werkwoord(en)
Wat je leuk vindt is:
  • Meervoud
Voorbeelden:
Me gusta el gato.
Ik vind de kat leuk.

Me gustan los perros
Ik vind de honden leuk

Me gusta hablar español 
Ik vind Spaans spreken leuk.




Meestal gebruik je alleen:

Slide 20 - Slide

Je gebruikt ook altijd een lidwoord (el/la/los/las), in het Nederlands doe je dat niet altijd.
Voorbeeld: Me gustan las pizzas > Ik hou van pizzas. 

Ik-vorm (yo) =    me gusta ...         +           me gustan ...
Jij-vorm (tú) =    te gusta ...           +            te gustan ...


El verbo gustar
Me gusta la pizza. 
Me gustan las pizzas.
¿Te gustan las pizzas?
VOORBEELD:
Ik hou van pizza.
Ik hou van pizzas.
Hou jij van pizzas?

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Maak de juiste keuze:

* (A mí) me...………... la clase de español


A
gustan
B
gusta
C
gusto
D
gustas

Slide 23 - Quiz

Maak de juiste keuze:

* (A ti) no ...………... el color verde.


A
te gustan
B
te gusta
C
me gusto
D
les gustas

Slide 24 - Quiz

Vul de juiste vorm in van 'gustar':

(A María).............los deportes.
A
te gustas
B
le gusta
C
le gustan
D
te gusto

Slide 25 - Quiz

Vul juiste vorm van gustar (en meewerkend voorwerp) in
A ellos ______________ el fútbol

Slide 26 - Open question

Vul juiste vorm van gustar (en meewerkend voorwerp) in
A Juan ___________ comer mucho.

Slide 27 - Open question

Vertaal de zin naar het Spaans:
Wat vind jij lekker om te eten?

Slide 28 - Open question

Vertaal de zin naar het Spaans:
Hoe laat ontbijt je?

Slide 29 - Open question

Vertaal de zin naar het Spaans:
Wat is er als toetje?

Slide 30 - Open question

Vertaal de zin naar het Spaans:
Ik vind de paella niet lekker.

Slide 31 - Open question


Ik kan het werkwoord “querer” (willen) vervoegen.
1 (NO0
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO0

Slide 32 - Poll


Ik kan het weerwoord “ gustar” (leuk/lekker vinden) vervoegen. 
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 33 - Poll


Ik ken de onbepaalde lidwoorden in het Spaans.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 34 - Poll


Ik weet wat telbare en niet-telbare woorden in het Spaans zijn.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 35 - Poll


Ik weet wanneer “Hay” (er is/er zijn) in het Spaans moet gebruiken.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 36 - Poll


Ik ken alle zinnen van unidad 4.
1 (NO)
2
3
4
5
6
7
8
9
10 (SÍ, POR SUPUESTO)

Slide 37 - Poll