CG A1 - semana 2 - clase 3 - 11.09.26

¡Bienvenidos a todos!
Semana 3 - clase 1 
 el 11 de septiembre de 2026
1 / 53
next
Slide 1: Slide
spaansHBOStudiejaar 1

This lesson contains 53 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 180 min
Report this lesson

Items in this lesson

¡Bienvenidos a todos!
Semana 3 - clase 1 
 el 11 de septiembre de 2026

Slide 1 - Slide

1. No me quejo
2. Viviendo la vida
3. Mejor que nunca
4. Todo bien
5. Aquí en la lucha
6. Viviendo la vida loca

Slide 2 - Slide

Los deberes, ¿qué tal?
Unidad 3: eerste deel
WB t/m 8, R&S (bezittelijk vnw)
¿Hay preguntas?
EXTRA
Practicar extra:<div>- los posesivos</div><div>- los números hasta 100</div>

Slide 3 - Slide

un repaso

1.  Los posesivos: BZVNW
2. Los números: getallen 
3. Los verbos regulares: Reg. WW


Slide 4 - Slide

WB p. 28 (unidad 2)

nr. 27a:  eerst lezen over
la rrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr



Ik kan al...                    laat maar eens zien dan ;-)
opdracht 27b wb p. 28

Slide 5 - Slide

mi
1
vuestras
2
nuestra
3
sus
4
su
5
sus
6
vuestros
7

Slide 6 - Slide

noventa y dos
cuarenta y cinco
quince
sesenta y ocho
treinta y tres
veintiuno
cincuenta y cinco
setenta y seis
ochenta y nueve
once

Slide 7 - Drag question

Más números
Profedeele
https://www.profedeele.es/actividad/numeros-espanol-todos/<div><br></div>

Slide 8 - Slide

Verbos -AR-ER -IR
Regelmatige werkwoorden eindigend op -AR , -IR , -ER
Weet je de regel nog?

Slide 9 - Slide

TB nr. 12 p.24 en 25 
los verbos regulares   

Slide 10 - Slide

timer
4:00

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Link

UNAS PREGUNTAS SOBRE LA FAMILIA
            
Met behulp van TB blz. 31: elkaar interviewen over familie. 

¿Cómo se llama/n          - tu/tus -                              abuelo/s?
¿Dónde vive/n                  - su/sus -                            hermano/s?
¿De dónde es / son        - vuestro/a/s -                      hermana/s?
¿Qué hace/n                      - vuestro/a/s -                        padres?

Voorbeeld

Slide 14 - Slide

UNAS PREGUNTAS SOBRE LA FAMILIA
¿Cómo se llaman tus padres?
-- Se llaman Antonio y Carmen.
¿Dónde vive tu hermano?   --> 
-- Vive en Best con nosotros. 
¿De dónde son tus abuelos? 
-- Son de Nijmegen. 
¿Qué hace tu madre? 
-- Mi madre es denstista. Trabaja en una clínica dental. 
¿Tienes hermanos? 
-- Sí, tengo una hermana. 
-- Sí, tengo un hermano. 
-- No, no tengo hermanos.  
timer
5:00

Slide 15 - Slide

VAMOS A TRABAJAR EN GRUPOS 
  • Elke student schrijft 5 zinnen over zijn/haar medestudent.
  • Daarna somt 1 student per groep alle zinnen op (inclusief
    naam van elke student) en stuur dit in 1 bericht in Teams naar mij. 

Probeer zoveel mogelijk informatie in de 3e persoon enkelvoud 
of meervoud te vertellen. 
La abuela de Laura se llama Maria y es de Oss............
Su hermana es estudiante y vive en Den Bosch.....................
Los padres de Tim tienen su propia empresa...........
timer
7:00

Slide 16 - Slide

los adjetivos - het bijvoeglijk nw
Somos diferentes: los hermanos de Isabel

Opdr. 10a TB p. 33
We lezen de tekst - onderstreep de persoonseigenschappen.
Welk werkwoord wordt hier veel gebruikt i.c.m. het bijvoeglijk naamwoorden? 



 

<span style="color: rgb(255, 0, 0); font-weight: bold">Ser = zijn (eigenschappen)</span>

Slide 17 - Slide

los adjetivos - het bijvoeglijk nw
Bijvoeglijke naamwoorden zijn om iemand te beschrijven en 
richten zich in getal en geslacht naar het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. 


Slide 18 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord: verschillende vormen
Opdr. 10b TB p. 33: Vul in

un hombre atractivo<div>un hombre interesante</div><div>un hombre original</div>
una mujer atractiva<div>una mujer interesante</div><div>una mujer original</div>

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Wat weet je nu over Isabel? Maak een volledige zin.
Gebruik TB opdr. 1 p. 29 + tekst opdr. 10 p. 33.

Slide 21 - Open question

Wat weet je nu over Laura? Maak een volledige zin.
Gebruik TB opdr. 1 p. 29 + tekst opdr. 10 p. 33.

Slide 22 - Open question

Wat weet je nu over Marcelo?
Maak een volledige zin.
Gebruik TB opdr. 1 p. 29 + tekst opdr. 10 p. 33.

Slide 23 - Open question

Bijvoeglijke naamwoorden
om te beschrijven 
joven
mayor
alto/-a
bajito/-a
moreno/-a
rubio/-a
delgado/-a
gordito/-a
guapo/-a
feo/-a
abierto/-a
tímido/-a
simpático/-a
antipático/-a
optimista
pesimista

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Link

verbo estar - burgelijke staat
estoy
estás
está
estamos
estáis
están
casado/-a
divorciado/-a

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

  • Mijn moeder heet Carmen.  

  • Ze woont in Sevilla. 

  • Maar komt uit Granada. 

  • Ze is receptioniste in een hotel. 

  • Ze heeft donker haar en heeft blauwe ogen. 

  • Ze is heel aardig en heel sportief. 
<ul><li>Mi madre se llama Carmen.&nbsp;</li><li>Vive en Sevilla.&nbsp;</li><li>Pero es de Granada.&nbsp;</li><li>Es recepcionista en un hotel.&nbsp;</li><li>Es morena y tiene los ojos azules.&nbsp;</li><li>Es muy simpática y también muy deportista.&nbsp;</li></ul><div>
</div><div>
</div><div>
</div><div>
</div>
✍️  Schrijf nu soortgelijk verhaaltje over een familielid naar keuze. 

Slide 29 - Slide

Opdr. 11a TB p.33   ¿Cómo son?
Beschrijf een familielid van een foto.
                           Vertel eerst algemene informatie:      
                           Mi madre ...  / Mi hermano....
                           se llama / vive / es de / hace  /  es ........


                           Omschrijf daarna je familielid met zoveel mogelijk                               bijvoeglijk naamwoorden.


 

timer
10:00
1
2

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Trabajar en el WB
WB p. 31 
Hacer ejercicio 9 + 10 + 18


timer
11:00

Slide 32 - Slide

Opdr. 12 TB p.34  ¿Él o ella?

1
2
3
4
5
6
Javier
Penélope
Los dos
Javier: 1,5,6<div>Penélope: 2,3</div><div>Los dos: 4</div>
WB: Andere oefeningen van beschrijvingen : 8,9,10,11,18

Slide 33 - Slide

¿Cuándo es tu cumpleaños?
In het Spaans noteer je een datum als volgt:
 

Voorbeelden:
* ¿Cuándo es tu cumpleaños?  (Wanneer is jouw verjaardag)
- Mi cumpleaños es el 17 de septiembre
(in Spanje zeggen ze: de 17e van september)

* ¿Qué fecha es hoy? (Welke datum is het vandaag?)
-  Hoy es el 11 de septiembre de 2026

enero
febrero
marzo
abril
mayo
junio
julio
agosto
septiembre
octubre
noviembre
diciembre
el dag + de maand + de jaar 

Slide 34 - Slide

¿CUÁNDO ES TU/SU CUMPLEAÑOS?
Bij een datum wordt het bepaald lidwoord gebruikt:
1 april: El uno de abril ( in Spanje )
             El primero de abril (in Latinoamérica)
WB:  Oef. 14 
iemand bijna jarig?

Slide 35 - Slide

¿Cuándo es tu cumpleaños?
Voorbeeldzin:
Mi cumpleaños es el catorce de enero.

Slide 36 - Open question

Me gusta el cine
nr. 14 TB p. 34:     Me gusta, no me gusta

Vul de tabel aan: "iets leuk vinden of niet" 
(No) Me gust.........  el cine 
                                  ver la tele 

(No) Me gust......... los actores españoles                                            las  películas de terror
<span style="color: rgb(255, 0, 0); font-weight: bold">me gusta&nbsp;</span>
<span style="color: rgb(255, 0, 0); font-weight: bold">me gustan</span>

Slide 37 - Slide


het werkwoord 'gustar' (I)
Zie ook TB p.38 en p.125 - voor extra uitleg

Het werkwoord gustar (bevallen, leuk/lekker vinden, graag doen) wordt meestal in de 3e persoon vervoegd: gusta (ev) / gustan (mv)
Let op! 
Het onderwerp van de zin is niet degene die iets leuk vindt of aan wie iets bevalt. Het onderwerp is hetgeen dat (aan) deze persoon bevalt. Om aan te geven wie iets leuk/lekker vinden, moet je dan nog toevoegen: me (ik vind.. leuk), te (jij vindt.. leuk), le (hij/zij/u..)





Slide 38 - Slide


het werkwoord 'gustar' (II)
Gusta wordt gebruikt vóór een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud (me gusta el cine) of  vóór een infinitief  (me gusta ver películas por internet).   

Gustan wordt gebruikt vóór een zelfstandig naamwoord (znw) in het meervoud (me gustan las películas románticas). 

Na 'me gusta/gustan' met een znw volgt altijd het lidwoord: el, la, los, las  -> me gusta la música (ik houd van muziek)

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide

Nr. 15a TB, p.35 ¿Te gusta?
Houd jij  van...?
- ¿Te gusta el café/ el vino/ viajar...?
- ¿ Te gustan las fiestas?
      
  • Sí.
  • Sí, mucho.
  • Bastante.
  • No.
  • No mucho.
  • No, nada (No, no me gusta nada)
Houdt hij/zij/u van..?

-¿Le gusta el café/ el vino/ viajar..?
- ¿ Le gustan las fiestas?

Maar wie is "le"? 
Benadrukken wie iets leuk/lekker vindt:
A mí me gusta la paella.
A Jorge le gustan las tapas.
A María le gusta el café.
      

Slide 41 - Slide

Nr. 12 WB, p.32
timer
3:00

Slide 42 - Slide

Nr. 12 WB, p.32
1. El cine<div>2. Los actores españoles</div><div>3. La ópera</div><div>4. Viajar en avión</div><div>5. Las personas arrogantes</div>

Slide 43 - Slide

Slide 44 - Video

trabajo en parejas
- WB p. 32-33: opdr. 13
- TB p. 35: opdr. 15
15a = invullen
15b = oefenen spreekvaardigheid

Klaar en tijd over? Vul samen Reglas & Sistemas in (p.38 WB) en werk aan andere opdrachten uit het WB van unidad 3

Slide 45 - Slide

extra voca

Slide 46 - Slide

Slide 47 - Link

Slide 48 - Slide

Slide 49 - Link

Panamericana 

Slide 50 - Slide

Slide 51 - Video

Slide 52 - Video

los deberes 
  • Maak alle oefeningen in je werkboek af van unidad 3
  • invullen reglas & sistemas
    WB blz. 37/38
  • maken test WB blz. 39
  • Dinsdag 3 maart: 
    Voortgangstoets 
    Unidad 1 + 2 + 3
    + Lezen 

Slide 53 - Slide