Semana 15 havo 4

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 15
  • Bienvenida - 5 min
  • Vocabulario - 10
  • Repaso - 20 min
  • Mondeling - 30 min
  • Toets inzien - 10 min

Doel: Aan het eind van deze les:
  • heb je de verledentijden herhaald en kon je beginnen aan je mondeling opdracht 1
1 / 50
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 79 min

Items in this lesson

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 15
  • Bienvenida - 5 min
  • Vocabulario - 10
  • Repaso - 20 min
  • Mondeling - 30 min
  • Toets inzien - 10 min

Doel: Aan het eind van deze les:
  • heb je de verledentijden herhaald en kon je beginnen aan je mondeling opdracht 1

Slide 1 - Slide

Toetsweek D






Week 22: SO Schrijfvaardigheid
Toetsweek D: Mondeling                             --> studiewijzer

Slide 2 - Slide

Vocabulario
Thematische woordenschat

Hoe?
In studiewijzer --> pdf
StudyGo: link
timer
10:00

Slide 3 - Slide

RepasoHerhaling
.

Slide 4 - Slide

(presente) perfecto

Slide 5 - Slide

De presente perfecto (v.t.t.) wordt gevormd door:
A
een hulpwerkwoord en een infinitief (heel ww)
B
een hulpwerkwoord en een zelfstandig naamwoord
C
een vervoegd werkwoord
D
een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord

Slide 6 - Quiz

Wat is de vertaling van 'ik heb gesproken (hablar)'?

Slide 7 - Open question

Wat is de vertaling van 'het is gebeurd (ocurrir)'?

Slide 8 - Open question

Wat is de vertaling van 'wij hebben gewoond (vivir)'?

Slide 9 - Open question

Deze onregelmatige vormen moet je wel kennen:
hacer > hecho
decir > dicho
poner > puesto
leer > leído
morir > muerto
volver > vuelto
romper > roto
ver > visto
abrir > abierto
escribir > escrito

Slide 10 - Slide

He leído
He puesto
He escrito
He hecho
he abierto
he muerto
he dicho
he visto
Ik heb geopend
Ik heb geschreven
Ik heb gezien
Ik heb gemaakt
Ik heb gezegd
Ik heb gelezen
Ik heb gelegd
Ik ben gestorven

Slide 11 - Drag question

Indefinido


Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Vormen indefinido (irregular)
hacer                           estar                            tener
hice                              estuve                         tuve
hiciste                         estuviste                    tuviste
hizo                              estuvo                         tuvo
hicimos                       estuvimos                 tuvimos
hicisteis                      estuvisteis                tuvisteis
hicieron                       estuvieron                tuvieron

Slide 14 - Slide

Geef de juiste vervoegingen. (schrijf je antwoord als volgt op: 1. hablé )

1. hablar - tú
2. trabajar - él
3. buscar - ellos

Slide 15 - Open question

El verano pasado yo ____  en España.
Hace 3 años tú ___ a la primaria (= basisschool). 
Ayer por la noche Juan ___ deporte en el gimnasio. 
La semana pasada mi amiga y yo ___ para el examen de español.
El treno ___ tarde a Sevilla.
El año pasado María y tú ___ a mi mejor amiga Eva.
Hace una semana mis compañeros de clase ___ en la clase.
se pelearon
estudiamos
conocisteis
fuiste
estuve
hizo
llegó

Slide 16 - Drag question

Het gebruik 
van de perfecto 
en de indefinido

Slide 17 - Slide

Gebruik perfecto
Je gebruikt de perfecto als je vertelt over een periode die nog loopt of als je aangeeft hoe vaak je iets hebt gedaan. 

Signaalwoorden:
hoy (vandaag)                                                                  nunca (nooit)
esta mañana (deze ochtend/vanochtend).       todavía no (nog niet)
esta tarde (deze middag, vanmiddag)                 este año (dit jaar)
esta noche (deze avond, vanavond)                      últimamente (de laatste tijd)

Slide 18 - Slide

Gebruik indefinido
Je gebruikt de indefinido als je het hebt over gebeurtenissen in een periode die afgelopen is of als je opeenvolgende gebeurtenissen uit het verleden opsomt. 

Signaalwoorden:
ayer (gisteren)                                                                  en 2018 (in 2018)
anoche (gisteravond)                                                    hace 5 años (5 jaar geleden)
la semana pasada (afgelopen week)                     el año pasado (afgelopen jaar)
anteayer (eergisteren)                                                  

Slide 19 - Slide

perfecto o indefinido
Vul telkens de juiste vorm in van de perfecto of de indefinido.

Slide 20 - Slide

1. Ayer yo____(comer) una ensalada.

Slide 21 - Open question

Este invierno _____ (nosotros ir) a la montaña.

Slide 22 - Open question

La semana pasada______(ellos viajar) a Madrid

Slide 23 - Open question

Hoy_______(yo estudiar)

Slide 24 - Open question

En 2018 María______ (comprar) una casa en Buenos Aires.

Slide 25 - Open question

Los pasados = de verledentijden
Presente

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Portátiles cerrados

Slide 28 - Slide

España
a Ámsterdam?
timer
7:00

Slide 29 - Slide

Imperfecto


Slide 30 - Slide

¿Cuándo se usa el pretérito imperfecto?
- voor beschrijvingen van personen of zaken uit het verleden.
Mi abuelo era alto y llevaba una barba blanca.

- voor gewoontes of herhaalde gebeurtenissen in het verleden.
Yo antes iba todos los días a la piscina.

Slide 31 - Slide

Imperfecto

Slide 32 - Slide

El pretérito imperfecto: signaalwoorden
Antes                                              vroeger
el la epóca de .........                  in de periode .................
de niño                                           als kind
de pequeño                                 toen ik klein as
de joven                                         toen ik jong was

Slide 33 - Slide

¿Imperfecto o indefinido?

Slide 34 - Slide

Indefinido o imperfecto
Indefinido
Imperfecto
Handeling, actie, gebeurtenis op een specifiek moment in verleden
Beschrijving van iets/iemand in verleden
Dat moment is afgerond, voorbij
Gewoontes of herhaalde gebeurtenissen.
Opsomming van verschillende gebeurtenissen, handelingen achterelkaar in verleden
Oorzaak van iets dat in verleden is gebeurd/gedaan

Slide 35 - Slide

Ser y estar
vervoeg deze twee werkwoorden in de ik vorm:
  1. Presente
  2. Presente perfecto
  3. Indefinido
  4. Imperefecto

Slide 36 - Slide

Pretérito Perfecto
Pretérito Indefinido
Presente
SER Y ESTAR  (ZIJN) 
Pretérito Imperfecto
Presente
Pretérito Perfecto
Pretérito Indefinido
Pretérito Imperfecto
SER
Estar

Slide 37 - Slide

 Perfecto               Indefinido                  Imperfecto
Zit ik er nog in?
- DEZE week
- DIT weekend
- VANDAAG
Duidelijk begin en eind?
- Gisteren
- Vorig jaar
- In 1986
- 14 april
- Woensdag
Geen duidelijk begin en eind?
- Vroeger
- Toen ik klein was
- Elke zondag
_____________________geen tijdsaanduiding?_____geen tijdsaanduiding?_____
Stel jezelf de vraag:
Was het er al?
Stel jezelf de vraag:
Gebeurde het?

Slide 38 - Slide

timer
5:00

Slide 39 - Slide

MONDELING

Slide 40 - Slide

Mondeling
Toetsweek D

weging 20%

10-15 min


Slide 41 - Slide

Mondeling

Bestaat uit drie delen:

  1. Over jezelf
  2. Een foto beschrijven
  3. Vragen beantwoorden 

Slide 42 - Slide

1. Presentación personal
  •  Presentatie voorbereiden
  • Presentatie zonder hulpmiddel
  • Ongeveer 3 minuten
  • Docent stelt geen vragen
  • Je vertelt over de volgende onderwerpen --> 

Slide 43 - Slide

1. Presentación personal
  1. Información personal: Nombre, edad, dónde vives y con quién.
  2. Pasatiempos¿Qué te gusta hacer en tu tiempo libre?
  3. Ultimas vacaciones (pretérito perfecto): ¿Qué has hecho en las vacaciones de febrero?
  4. El año 2025 (pretérito indefinido): ¿Qué hiciste el año pasado?
  5.  Tú infancia (pretérito imperfecto): ¿Cómo eras cuando eras niñ@?


















timer
20:00

Slide 44 - Slide

1. Presentación personal
  1. Información personal: Nombre, edad, dónde vives y con quién.
  2. Pasatiempos: ¿Qué te gusta hacer en tu tiempo libre?
  3. Ultimas vacaciones (pretérito perfecto): ¿Qué has hecho en las vacaciones de febrero/ tus ultimas vacaciones?
  4. El año 2025 (pretérito indefinido): ¿Qué hiciste el año pasado?
  5.  Tú infancia (pretérito imperfecto): ¿Cómo eras cuando eras niñ@?


1. Beantwoorde de vragen en ontvang volgende les feedback
2. Lees het hardop en zorg dat je ongeveer 3 minuten heb
3. klaar?  Oefen met linkje: link of thematische woordenschat


timer
20:00

Slide 45 - Slide

Toets bespreken
Cijfer berekenen
45 punten
6= 70%

Slide 46 - Slide

Slide 47 - Link

Slide 48 - Link

Slide 49 - Link

Extra links om te oefenen
dialogen met audio Link
verschillende thema's Link
vragen beantwoorden Link



Slide 50 - Slide