123 methode zinnen maken

Zinnen maken


1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Zinnen maken


Doelen

Aan het einde van de les kan ik ...


  • een zin in de juiste volgorde in het Nederlands schrijven.

  • het werkwoord zijn en hebben goed in een zin gebruiken.

Werkwoorden

  • Ik ben

  • Jij bent

  • Hij is

  • Zij is

  • Wij zijn

  • Jullie zijn

  • Zij zijn

Zijn

Jij ... jarig.

A

is

B

bent

C

zijn

D

was

Wij ... vrienden.

A

bent

B

was

C

ben

D

zijn

Hij ... de oudste.

A

zijn

B

is

C

ben

D

was

Ik ... een vrouw

A

was

B

is

C

ben

D

zijn

Zij ... ziek (meervoud)

A

was

B

zijn

C

ben

D

is

Hebben

  • Ik heb

  • Jij hebt

  • Hij heeft

  • Zij heeft

  • Wij hebben

  • Jullie hebben

  • Zij hebben

Werkwoorden

Ik ... een kat.

A

heb

B

hebben

C

heeft

D

hebt

Jij ... een fiets.

A

heeft

B

heb

C

hebt

D

hebben

Wij ... een hond.

A

hebben

B

heb

C

heeft

D

hebt

Jullie ... les.

A

hebben

B

heeft

C

heb

D

hebt

Zij ... een laptop. (Enkelvoud)

A

heeft

B

hebben

C

heb

D

hebt

Hoe maak je een zin?






1 = wie (mensen, dieren, dingen)
2 = doet wat (werkwoord = doe-woord)

3 = waar/hoe/wanneer

Ik

woon

in een klein huis

Zet de woorden in de juiste volgorde.




op de bank

de kat

zit

Zet de woorden in de juiste volgorde.





op de bank

de kat

zit

de hele dag

Zet de woorden in de juiste volgorde.




Hij

een fiets

heeft

Zet de woorden in de juiste volgorde.




wonen

in Leeuwarden

wij

Zet de woorden in de juiste volgorde.





vandaag

de kinderen

spelen

op straat

Hoe maak je een zin met tijd.






1 = wie (mensen, dieren, dingen)
2 = doet wat (werkwoord = doe-woord)

3 = waar/hoe/wanneer

ik

fiets

's ochtends

naar school

Opdrachten

A2

A1

Maak de oefeningen op het werkblad.

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Zet het woord bij op de juiste plek.

Maak de zin af.

Schrijf een zin over jouw routine.

wordwall



Maak de A1 opdrachten


Vul de zin aan.

Gebruik een tijdwoord.

Schrijf drie zinnen met een tijdwoord.