Zinnen maken
Zinnen maken
Doelen
Aan het einde van de les kan ik ...
een zin in de juiste volgorde in het Nederlands schrijven.
het werkwoord zijn en hebben goed in een zin gebruiken.
Werkwoorden
Ik ben
Jij bent
Hij is
Zij is
Wij zijn
Jullie zijn
Zij zijn
Zijn
Jij ... jarig.
is
bent
zijn
was
Wij ... vrienden.
bent
was
ben
zijn
Hij ... de oudste.
zijn
is
ben
was
Ik ... een vrouw
was
is
ben
zijn
Zij ... ziek (meervoud)
was
zijn
ben
is
Hebben
Ik heb
Jij hebt
Hij heeft
Zij heeft
Wij hebben
Jullie hebben
Zij hebben
Werkwoorden
Ik ... een kat.
heb
hebben
heeft
hebt
Jij ... een fiets.
heeft
heb
hebt
hebben
Wij ... een hond.
hebben
heb
heeft
hebt
Jullie ... les.
hebben
heeft
heb
hebt
Zij ... een laptop. (Enkelvoud)
heeft
hebben
heb
hebt
Hoe maak je een zin?
1 = wie (mensen, dieren, dingen)
2 = doet wat (werkwoord = doe-woord)
3 = waar/hoe/wanneer
Ik
woon
in een klein huis
Zet de woorden in de juiste volgorde.
op de bank
de kat
zit
Zet de woorden in de juiste volgorde.
op de bank
de kat
zit
de hele dag
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Hij
een fiets
heeft
Zet de woorden in de juiste volgorde.
wonen
in Leeuwarden
wij
Zet de woorden in de juiste volgorde.
vandaag
de kinderen
spelen
op straat
Hoe maak je een zin met tijd.
1 = wie (mensen, dieren, dingen)
2 = doet wat (werkwoord = doe-woord)
3 = waar/hoe/wanneer
ik
fiets
's ochtends
naar school
Opdrachten
A2
A1
Maak de oefeningen op het werkblad.
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Zet het woord bij op de juiste plek.
Maak de zin af.
Schrijf een zin over jouw routine.
Maak de A1 opdrachten
Vul de zin aan.
Gebruik een tijdwoord.
Schrijf drie zinnen met een tijdwoord.