Tekstbegrip 2atheneum

1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Doelen
Ik weet hoe (zinnen en) alinea's met elkaar verbonden kunnen zijn.
Ik weet welke signaalwoorden bij welk tekstverband horen.
Ik kan signaalwoorden herkennen in de tekst.

Pagina 157

Slide 2 - Slide

Wat zijn de tekstdoelen?

Slide 3 - Open question

Noteer nu de tekstsoorten bij de tekstdoelen
en zet er één tekstvorm achter

Slide 4 - Slide

Neem nu p 24
Maak de volgende opdrachten: opdracht 6,7,9,10,11,12

Slide 5 - Slide

Tekstdoelen:
  • amuseren
  • informeren
  • opiniëren 
  • overtuigen
  • activeren

Slide 6 - Slide

Noteer nu zoveel mogelijk signaalwoorden per tekstdoel

Slide 7 - Slide


Zoek tekstverband:
Vroeger hield hij van pasta, tegenwoordig houdt hij meer van pizza.n.
A
opsomming
B
tegenstelling
C
chronologie
D
toelichting

Slide 8 - Quiz

Uitspraak - opsomming
Uitspraak - tegenstelling
Uitspraak - voorbeeld
niet alleen ... maar ook
bijvoorbeeld
daar staat tegenover
Maar
Ook
bovendien
daarentegen
Integendeel
Zoals

Slide 9 - Drag question

Slide 10 - Slide

Noteer de drie signaalwoorden die worden genoemd in deze tekst in je schrift.

Slide 11 - Slide

Noteer de tekstverbanden achter de signaalwoorden.

Slide 12 - Slide

Oefening signaalwoorden
Tekst

Slide 13 - Slide

Tekstverband: VERGELIJKING
A
net als
B
kortom
C
als
D
waarmee

Slide 14 - Quiz

Tekstverband: SAMENVATTING
A
hierdoor
B
concluderend
C
om
D
kortom

Slide 15 - Quiz

Tekstverband: UITLEG OF TOELICHTING
A
zoals
B
samenvattend
C
met andere woorden
D
tenzij

Slide 16 - Quiz

Tekstverband: TEGENSTELLING
A
al met al
B
daar staat tegenover
C
zoals
D
waardoor

Slide 17 - Quiz

Tekstverband: UITSPRAAK-VOORBEELD
A
samenvattend
B
echter
C
ter toelichting
D
zo

Slide 18 - Quiz

Signaalwoord: TEN EERSTE........TEN TWEEDE
A
middel-doel
B
opsomming
C
oorzaak-gevolg
D
tegenstelling

Slide 19 - Quiz

Tekstverband: OPSOMMING
A
nog
B
alles bij elkaar
C
al met al
D
zoals

Slide 20 - Quiz

Tekstverband: VOORWAARDE
A
mits
B
waardoor
C
omdat
D
alles bij elkaar

Slide 21 - Quiz

Tekstverband: CONCLUSIE
A
kortom
B
alles overziend
C
met dat doel
D
daarentegen

Slide 22 - Quiz

Afsluiting:
wat wil je onthouden van deze les?

Slide 23 - Mind map