1.2 De maatschappij onderzoeken
1.2 De maatschappij onderzoeken
Pas de drie kenmerken van een sociaal vraagstuk toe op het sociale probleem van armoede in Nederland.
Identificeer of er materiële of immateriële belangen betrokken zijn
Beschrijf ook een dilemma binnen dit sociale vraagstuk en identificeer de bijbehorende waarden.
Awnsers
Drie kenmerken van een sociaal vraagstuk:
Armoede treft een grote groep mensen in Nederland.
Er zijn verschillende meningen over de oorzaken en oplossingen voor armoede.
De overheid en de samenleving zijn betrokken bij het vinden van oplossingen.
Materiële of immateriële belangen:
Materiële belangen: voldoende geld hebben voor voedsel, huisvesting en andere basisbehoeften.
Immateriële belangen: gelijke kansen, waardigheid en veiligheid hebben.
Dilemma en waarden:
Dilemma: Moet de overheid meer financiële steun geven aan mensen in armoede, of moeten mensen worden aangemoedigd om hun eigen financiële problemen op te lossen?
Waarden: gelijkheid, vrijheid, verantwoordelijkheid en solidariteit.
Today
1.2: De Belangrijke Begrippen van Sociale Wetenschappen
Zelfstandig werken aan opdracht
Centrale vraag van de paragraaf
Wat zijn de kernbegrippen bij maatschappijleer?
Wat gaan we vandaag doen?
Bespreken huiswerk
Uitleg 1.2
Opdrachten werkboek
Kernbegrippen
Belangrijke begrippen die bij maatschappijleer
regelmatig terugkomen zijn:
Waarden en normen
Belangen
Macht
Sociale ongelijkheid
Sociale cohesie
Waarden
Voorbeelden hiervan zijn:
Gezondheid.
Status.
Vrijheid.
Familie.
Discipline.
Waarde
Uitgangspunt of principe dat mensen
belangrijk vinden in hun leven.
Normen
Normen
Normen horen altijd bij een waarde!
Opvattingen / regels over hoe je je op grond van waarden behoort te gedragen.
Normen
Normen zijn vaak sociale verplichtingen: regels die door je omgeving worden opgelegd.
Geschreven regels
Ongeschreven regels
Een regel die (wettelijk) is vastgelegd.
Bijv. “Je mag niet stelen.”
Fatsoensnormen die iedereen kent.
Bijv: “Je staat op voor ouderen in de
bus.”
Waarden en normen
Opdracht: Welke waarden en normen herken je in deze video? Benoem twee personen en noem van ieder een waarde en bijbehorende norm.
Sociale controle
Via sociale controle dwingen of stimuleren mensen anderen om zich aan normen te houden.
Hoe is sociale controle de afgelopen 20 jaar veranderd?
Belangen
Bijvoorbeeld: schone lucht, een goed salaris, godsdienstvrijheid, een veilige leefomgeving.
Belang
Het voordeel dat iemand ergens bij heeft.
Benoem drie belangen bij de volgende groepen:
Scholieren hebben belang bij ……
Werkgevers hebben belang bij ……
Horeca-eigenaren hebben belang bij ……
Belangentegenstellingen
Belangen zijn soms tegengesteld.
Welke tegenstelling zie je hier?
Macht
Macht
Het vermogen om het gedrag of het denken
van anderen te beïnvloeden.
Formele macht
Macht die is vastgelegd in wetten of regels.
Bijv. een politieagent, leraar of burgemeester.
Informele macht
Macht die niet is vastgelegd in regels.
Bijv. invloed van je vrienden of een influencer.
Machtsmiddelen
Machtsmiddelen:
Functie / beroep
Kennis
Overtuigingskracht.
Aantal medestanders
Geld
Machtsmiddelen
Middelen waarmee je het gedrag
van anderen kunt beïnvloeden.
Machtsmiddelen
Sociale ongelijkheid
Deze terreinen laten de volgende grote verschillen zien:
Kennis
Inkomen
Status
Politieke macht en invloed
Sociale ongelijkheid
Ongelijke verdeling van maatschappelijke kansen, inkomen, kennis en macht.
Sociale cohesie
Sociale cohesie
Hoe sterk mensen zich verbonden voelen met elkaar.
Opdracht: Bij welke afbeelding is de sociale cohesie het sterkst? Waarom denk je dat?
Maatschappelijke vraagstukken analyseren
Algemene
onderzoeksvragen
Analysevragen
kernbegrippen
Algemene omschrijving
Rol media
Rol overheid
Vergelijken
Eigen mening
Belangen
Waarden en normen
Macht
Sociale ongelijkheid
Sociale cohesie
Denk aan 3 waarden en 3 normen die belangrijk voor je zijn
Hoe denk je dat je deze waarden en normen hebt verworven?
Vergelijk je waarden en normen met die van je klasgenoten en stel elkaar de volgende vraag: Hoe heeft je leven je waarden en normen gevormd?
Huiswerk voor volgende week
Paragraaf 1.2
Opdracht 1 t/m 8 en opdracht 13