Latijn: vragend en betrekkelijk voornaamwoord

voornaamwoorden: 
1. vragend 
2. betrekkelijk
3. vertaling betrekkelijk vnw
4. hoe zie je het verschil tussen vragend en betrekkelijk vnw?
1 / 31
next
Slide 1: Slide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

voornaamwoorden: 
1. vragend 
2. betrekkelijk
3. vertaling betrekkelijk vnw
4. hoe zie je het verschil tussen vragend en betrekkelijk vnw?

Slide 1 - Slide

1. vragend voornaamwoorden
1. zelfstandig: quis? quid?
- betekenis: wie? (mnl/vrl)
                          wat? (onz)
- 2 rijtjes: m/v en o
2. bijvoeglijk: qui, quae, quod
- congrueert met zelfst. nw.
- betekenis: welk(e)?
- 3 rijtjes: m, v, o

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

nom ev
gen ev
dat ev
acc ev
abl ev
nom mv
gen mv
dat mv
acc mv
abl mv
cui
quam
quem
qibus
quarum
quis
quae
quod
cuius
qui
qua
quem

Slide 4 - Drag question

Vertaal: Cui librum dedisti?
(liber = boek; dare = geven)

Slide 5 - Open question

Slide 6 - Slide

nom ev
gen ev
dat ev
acc ev
abl ev
nom mv
gen mv
dat mv
acc mv
abl mv
quae
cui
cuius
qui
quod
qua
quorum
quos
quam
quibus

Slide 7 - Drag question

Zelfstandig of bijvoeglijk?
Cui viro librum dedisti?
A
zelfstandig
B
bijvoeglijk

Slide 8 - Quiz

Zelfstandig of bijvoeglijk?
Quem vir vidit?
A
zelfstandig
B
bijvoeglijk

Slide 9 - Quiz

2. Betrekkelijke voornaamwoorden
in het Latijn

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Betrekkelijke voornaamwoorden

                      Vir, qui intravit, meus frater est.
                       
                       qui intravit         betrekkelijke bijzin
                       qui                         betrekkelijk voornaamwoord (=relativum)
                        vir                          antecedent

Slide 12 - Slide

1. Het meisje, dat op straat loopt, heeft een rood jurkje aan.
A
nominativus
B
genitivus
C
dativus
D
accusativus

Slide 13 - Quiz

2. De vrouw, van wie ik dit cadeau heb gekregen, heet Simone.
A
nominativus
B
genitivus
C
dativus
D
accusativus

Slide 14 - Quiz

3. De Romeinse goden, die ik erg bewonder, zijn onsterfelijk.
A
nominativus
B
genitivus
C
dativus
D
accusativus

Slide 15 - Quiz

4. De meneer, met wie ik praat, heeft een grote neus.
A
nominativus
B
genitivus
C
dativus
D
accusativus

Slide 16 - Quiz

5. Het boek, dat ons inspireert, is geschreven door Ovidius.
A
nominativus
B
genitivus
C
dativus
D
accusativus

Slide 17 - Quiz

6. De woorden, waardoor ik erg boos werd, werden door de leraar uitgesproken.
A
nominativus
B
genitivus
C
ablativus
D
accusativus

Slide 18 - Quiz

Slide 19 - Slide

Ken je deze rijtjes dus al uit je hoofd?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 20 - Poll

betrekkelijk voornaamwoord: congruentie
pater, cui dona donamus, laetus est
Videtis omnes senatores, qui in Curia sedent?

- Het antecedent en betr. vnw. komen overeen in getal en geslacht, maar niet altijd in naamval
- naamval betr.vnw is afhankelijk van de functie in de bijzin.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
Kies in de volgende zinnen het passende betrekkelijk voornaamwoord.

Let daarbij op het volgende:
- het geslacht en getal is gelijk aan het antecedent
- de naamval is afhankelijk van de functie in de bijzin

Slide 23 - Slide

1. Servus, ... non fugit, insanus est.
A
qui
B
quae
C
quem
D
cui

Slide 24 - Quiz

2. Homines, ... dei puniunt, miseri sunt.
A
qui
B
quorum
C
quibus
D
quos

Slide 25 - Quiz

3. Carmen, de ... narravistis, non cognosco.
A
qui
B
quae
C
quod
D
quo

Slide 26 - Quiz

Betrekkelijk voornaamwoord
Kies voor de volgende zinnen de juiste vertaling.

Slide 27 - Slide

Dominus, cuius servus fui, nunc mortuus est.
A
De meester, die slaaf is geweest, is nu dood
B
De meester, wiens slaaf ik ben geweest, is nu dood.
C
de meester, waarvan ik slaaf ben geweest, is nu dood
D
de meester, waardoor ik slaaf ben geweest, is nu dood.

Slide 28 - Quiz

Iuvenes, quibus signum datum est, statim concurrerunt.
A
De jongemannen, waaraan het teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.
B
De jongemannen, van wie het teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.
C
De jongemannen, aan wie een teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.
D
De jongemannen, waarmee een teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.

Slide 29 - Quiz

4. Hoe zie je het verschil tussen een vragend vnw en betr. vnw?
- De vormen van het (bijvoeglijk) vragend vnw en betr. vnw zijn hetzelfde
- stappenplan ter onderscheid:
1. is het een vraagzin? --> vragend vnw.                                         
2. congrueert het met een ander nw? --> vragend vnw
                                Quem virum vidisti? Welke man heb je gezien?
3. staat het aan het begin van een bijzin? --> betr.vnw
                                vir, quem vides, senator est. De man, die je ziet, is senator.
      

Slide 30 - Slide

let op!
Is de bijzin een afhankelijke vraagzin? (let op pv's als 'vragen/weten dat' in de hoofdzin én is er geen antecedent te vinden? --> vragend vnw
scio, quod templum aedificaret: ik weet, welke tempel hij bouwde
nesciebamus, qui senator id fecisset: wij 
rogatis, quem aedem novimus?

Slide 31 - Slide