Verkleinwoorden: van woord naar -je

Verkleinwoorden: van woord naar -je

1 / 20
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Secondary EducationAge 11

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Verkleinwoorden: van woord naar -je

Deze les blijft dicht bij de woordenlijst uit Hotel Hallo. Focus op vorm en herkenning: leerlingen zien dat het verkleinwoord altijd met het lidwoord 'het' komt.

Lesdoel

Ik kan van een woord het juiste verkleinwoord maken.

This item has no instructions

Welke verkleinwoorden ken jij al?

Gebruik de woordwolk om voorkennis te activeren. Vraag daarna kort welke leerlingen al zien dat verkleinwoorden vaak op -je of -tje eindigen.

Hotel Hallo

We gaan blz. 20 lezen

Maar eerst wat woorden...

This item has no instructions

Woorden uit Hotel Hallo

Hier zie je de woorden uit deze les bij elkaar:


het bed → het bedje

de deur → het deurtje

de koffie → het koffietje

de thee → het theetje

de oma → het omaatje

de opa → het opaatje

het verhaal → het verhaaltje

Omdat het anders te vol wordt, staat de volledige lijst verdeeld over twee slides.

Woorden uit Hotel Hallo

de koek → het koekje

het kind → het kindje

de papagaai → het papagaaitje

de tas → het tasje

de hond → het hondje

de vriend → het vriendje



Nu gaan we het verhaaltje lezen op blz. 20 in het boek Hotel Hallo

This item has no instructions

Wat is een verkleinwoord?

Een verkleinwoord maakt iets klein, lief of vriendelijk.


Vaak krijgt een woord -je, -tje of -pje.


Bij een verkleinwoord gebruik je altijd het.


Voorbeelden:

het bed → het bedje

de hond → het hondje

Leg eenvoudig uit dat verkleinwoorden niet alleen over grootte gaan. Soms klinkt het ook vriendelijker of gewoner in een gesprek.

Van het woord naar het verkleinwoord

Kijk naar het patroon:


  • het bed → het bedje

  • de koek → het koekje

  • het kind → het kindje

  • de hond → het hondje

Benadruk dat het lidwoord kan veranderen: 'de hond' wordt 'het hondje'. Dat is vaak een belangrijk NT2-punt.

Woorden met -je

Veel woorden krijgen gewoon -je.


  • het bed → het bedje

  • de koek → het koekje

  • het kind → het kindje

  • de hond → het hondje

  • de vriend → het vriendje

Laat leerlingen horen dat de laatste klank vaak helpt: korte, duidelijke woorden krijgen vaak -je.

Welk lidwoord gebruik je altijd bij een verkleinwoord?

A

de

B

een

C

het

D

dit

Sluit aan op de kern van slides 2-4: bij verkleinwoorden wordt het lidwoord altijd 'het'.

Maak de verkleinwoorden af

In deze les leer je verkleinwoorden. Van het woord bed maak je bedje. Van hond maak je hondje. Bij elk verkleinwoord gebruik je het.

bed
bedje
hond
hondje
het
de
bedden
honden
hondtje
bedtje

Controleer of leerlingen zowel de vorm als het vaste lidwoord herkennen.

Woorden met -tje

Sommige woorden krijgen -tje.


  • de koffie → het koffietje

  • de thee → het theetje

  • de oma → het omaatje

  • de opa → het opaatje

  • het verhaal → het verhaaltje

Wijs op woorden die eindigen op een klinker, zoals koffie, thee, oma en opa. Houd het praktisch; volledige spellingsregels zijn hier niet nodig.

Nog meer voorbeelden

  • de deur → het deurtje

  • de tas → het tasje

  • de papagaai → het papagaaitje

Noem dat niet elk woord precies hetzelfde verandert. Leerlingen oefenen hier vooral met herkennen en onthouden van veelvoorkomende vormen.

Wat verandert er altijd?

Bij verkleinwoorden zie je twee vaste dingen:


  • het woord krijgt een uitgang, zoals -je of -tje

  • het lidwoord wordt altijd het


Voorbeelden:

de deur → het deurtje

de tas → het tasje

Deze slide is de kern van de les: vormverandering + vast lidwoord.

Wat is het verkleinwoord van oma?

A

het omaatje

B

het omaje

C

de omaatje

D

de omaje

Toetst de voorbeelden met -tje en herhaalt tegelijk het lidwoord 'het'.

Kies de juiste vormen

Sommige woorden krijgen -tje of een andere uitgang. Zo wordt de deur een deurtje. En van de tas maak je tasje. Het lidwoord wordt dan altijd het.

-tje
deur
deurtje
tasje
het
de
-je
deurje
tasjee
deurtjee

Gebaseerd op slides 5-7: uitgang verandert, maar het lidwoord wordt altijd 'het'.

Welk verkleinwoord hoort bij papagaai?

A

het papagaaije

B

de papagaaitje

C

het papagaaitje

D

het papagaajtje

Gebaseerd op de woordenlijst van Hotel Hallo op slides 8-9.

Woorden uit Hotel Hallo

In Hotel Hallo leer je deze woorden: koffietje hoort bij koffie en theetje hoort bij thee. Ook verhaaltje hoort in de lijst. Van vriend maak je vriendje.

koffietje
theetje
verhaaltje
vriendje
koffieje
theeje
verhaalje
vriendtje
omaatje

Laat leerlingen de volledige woordenlijst actief ophalen uit de laatste twee inhoudsslides.

Begrippenlijst

verkleinwoord - een woord dat iets klein, lief of vriendelijk maakt

lidwoord - een woord zoals de of het

uitgang - het laatste stukje dat je aan een woord toevoegt

-je - veelgebruikte uitgang voor een verkleinwoord

-tje - uitgang die je bij sommige woorden gebruikt

-pje - uitgang die je bij sommige woorden gebruikt

woord - een losse eenheid van taal met betekenis

'-pje' staat in de begrippenlijst als algemene uitbreiding, ook al komt die vorm niet in deze woordenlijst voor.

En nu testen wat je nog weet

De Gynzy quiz over het verhaaltje van blz. 20

This item has no instructions