V5_SK_Herhalen_Week 37_Les1

1 / 27
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Programma
  • Opening les
  • Controle boeken en huiswerk
  • Weektaak
  • Leerdoelen
  • Keuze momenten
  • Aan opdrachten werken
  • Afsluiten les

Slide 2 - Slide

Weektaak vorige week
- Bestuderen Hoofdstuk 7, Voorkennis uit het boek (blz 8)
- Bestuderen Hoofdstuk 7, Paragraaf 1 uit het boek (blz 9&10)
- Bestuderen Hoofdstuk 7, Paragraaf 2 uit het boek (blz 11t/m13)
- Bestuderen Hoofdstuk 7, Paragraaf 4 uit het boek (blz 19)
- Maken opdracht 6, 9, 16, 18, 27, 30, 36 en 37 uit het boek of in de online omgeving



Slide 3 - Slide

Weektaak
- Bestuderen Hoofdstuk 7, Paragraaf 5 uit het boek (blz 22t/m24)
- Maken opdracht 45 t/m 47 uit het boek (blz 24) of in de online omgeving.

- Bestuderen Hoofdstuk 13, Paragraaf 1 uit het boek (blz 175 t/m 177)
- Maken opdracht 13, 14 en 16 uit het boek (blz 177) of online.

Slide 4 - Slide

Leerdoelen
- Ik kan de pH berekenen van sterke zuren en sterke basen gebaseerd op bekende concentraties en andersom.
- Ik kan uitleggen wat het waterevenwicht is.
- Ik kan berekeningen uitvoeren aan verdunningen.

Slide 5 - Slide

Keuze 1:
- Luisteren naar de uitleg
Keuze 2:
- Bestuderen Hoofdstuk 7, Paragraaf 5
- Maken opdracht 45 t/m 47 



Slide 6 - Slide

pH-berekeningen
Sterk zuur:


Voorbeeld:
 Stel je hebt een 0,1M zoutzuur-oplossing. 
De pH = - log (0,1) = 1
Stel je hebt een zoutzuur-oplossing met pH 2.
De [H3O+] = 10-2 = 0,01 mol/L

pH=log[H3O+]
[H3O+]=10pH

Slide 7 - Slide

Er wordt 0,01 mol zoutzuur opgelost in 20 mL water. Wat is de pH?
A
pH = 0,3
B
pH = 0,5
C
pH = 13,7
D
pH = 3,0

Slide 8 - Quiz

pOH-berekeningen
Sterke base:


Voorbeeld:
 Stel je hebt een 0,1M natronloog-oplossing. 
De pOH = - log (0,1) = 1
Stel je hebt een natronloog-oplossing met pOH 2.
De [OH-] = 10-2 = 0,01 mol/L

pOH=log[OH]
[OH]=10pOH

Slide 9 - Slide

Er wordt 0,01 mol bariumhydroxide opgelost in 250 mL water. Wat is de pOH?
A
pOH = 0,08
B
pH = 1,1
C
pOH = 1,1
D
pH = 0,08

Slide 10 - Quiz

Waterevenwicht


Dit evenwicht ligt aan de kant van H2O.
De concentratie van water is ongeveer 55 mol/l.

Nut: Basische oplossingen ook uitdrukken in pH en niet in pOH

2H2O(l)H3O+(aq)+OH(aq)

Slide 11 - Slide

Waterevenwicht
De concentratie van water, [H2O]
1 liter
Dichtheid = 0,9982*103 kg m-3 = 0,9982*103 gram/l
M (H2O) = 18,016 gram/mol
n (H2O) = m (H2O) / M (H2O)
n (H2O) = 0,9983*103 / 18,016 = 55,41 mol
c (H2O) = n (H2O) / Vopl = 55,41 / 1 = 55,41 mol/l

Slide 12 - Slide

Waterevenwicht
[H3O+] in neutrale oplossing (pH = 7) : [H3O+] = 10-7 
[OH-] in neutrale oplossing (pOH = 7) : [OH-] = 10-7 

Slide 13 - Slide

Waterevenwicht
Opdracht:

Stel de evenwichtsvoorwaarde op voor het waterevenwicht.
2H2O(l)H3O+(aq)+OH(aq)

Slide 14 - Slide

Waterevenwicht
Opdracht:
Stel de evenwichtsvoorwaarde op voor het waterevenwicht.
2H2O(l)H3O+(aq)+OH(aq)
Kw=[H2O]2[H3O+][OH]

Slide 15 - Slide

Waterevenwicht
[H2O] = 55,4 mol/L
[H3O+] = 0,0000001 mol/L
[OH-] = 0,0000001 mol/L

Bij evenwichten mag je de concentratie van het oplosmiddel weglaten en dat is water.
2H2O(l)H3O+(aq)+OH(aq)
Kw=[H2O]2[H3O+][OH]

Slide 16 - Slide

Waterevenwicht
[H2O] = 55,4 mol/L
[H3O+] = 0,0000001 mol/L
[OH-] = 0,0000001 mol/L

Bij evenwichten mag je de concentratie van het oplosmiddel weglaten en dat is water.
2H2O(l)H3O+(aq)+OH(aq)
Kw=[H3O+][OH]

Slide 17 - Slide

Waterevenwicht
[H2O] = 55,4 mol/L
[H3O+] = 0,0000001 mol/L
[OH-] = 0,0000001 mol/L

Opdracht: Bereken Kw en pKw

De pKw is de -log van Kw
Kw=[H3O+][OH]

Slide 18 - Slide

Waterevenwicht
[H2O] = 55,4 mol/L
[H3O+] = 0,0000001 mol/L
[OH-] = 0,0000001 mol/L

Opdracht: Bereken Kw = 10-14 en pKw = 14


Kw=[H3O+][OH]

Slide 19 - Slide

Waterevenwicht
Kw=[H3O+][OH]

Slide 20 - Slide

Waterevenwicht
Dus als de pH 7 is, 
dan is de pOH 7.

Dus als de pH 8 is, 
dan is de pOH 6.

Kortom: pH = 14,0 - pOH
Kw=[H3O+][OH]

Slide 21 - Slide

Er wordt 0,01 mol bariumhydroxide opgelost in 250 mL water. Wat is de pH?
A
pOH = 12,9
B
pH = 1,1
C
pOH = 1,1
D
pH = 12,9

Slide 22 - Quiz

Verdunningen
Bij een verdunning neem je de volgende stappen:
- Bereken het aantal mol in de originele oplossing
- Bereken de concentratie in de nieuwe oplossing

Dus: Stel ik verdun 250mL 0,1M zoutzuur oplossing 5 maal, wat is de nieuwe concentratie?
n=0,1 mol/L * 0,250L = 0,0250 mol
c= 0,0250 mol / (0,250 + 1,000) = 0,0250 / 1,250 = 0,02 mol/L

Slide 23 - Slide

Verdunningen
Opdracht:
Bereken de pH na het tienmaal verdunnen van 150mL 0,1M zoutzuur oplossing.

Slide 24 - Slide

Verdunningen
Opdracht:
Bereken de pH na het tienmaal verdunnen van 150mL 0,1M zoutzuur oplossing.
n = 0,1 mol/L * 0,150 L = 0,0150 mol
c = 0,0150 mol / (0,150 + 1,350) = 0,01 mol/l
pH = -log (0,01) = 2

Slide 25 - Slide

Weektaak
- Bestuderen Hoofdstuk 7, Paragraaf 5 uit het boek (blz 22t/m24)
- Maken opdracht 45 t/m 47 uit het boek (blz 24) of in de online omgeving.

- Bestuderen Hoofdstuk 13, Paragraaf 1 uit het boek (blz 175 t/m 177)
- Maken opdracht 13, 14 en 16 uit het boek (blz 177) of online.

Slide 26 - Slide

Afsluiting - Leerdoelen
- Ik kan de pH berekenen van sterke zuren en sterke basen gebaseerd op bekende concentraties en andersom.
- Ik kan uitleggen wat het waterevenwicht is.
- Ik kan berekeningen uitvoeren aan verdunningen.

Slide 27 - Slide