Meewerkend voorwerp

Leerdoel: je leert over het meewerkend voorwerp
1 / 11
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Leerdoel: je leert over het meewerkend voorwerp

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Link

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Wat is de persoonsvorm?
De politieagente gaf de fietser zonder licht een bekeuring.
A
de politieagente
B
gaf
C
licht
D
een bekeuring

Slide 4 - Quiz

Gebruik de vraagproef of de tijdproef 
Wat is het onderwerp?
De politieagente gaf de fietser zonder licht een bekeuring.
A
de politieagente
B
de fietser
C
licht
D
een bekeuring

Slide 5 - Quiz

wie of wat + persoonsvorm
Wat is het gezegde?
De politieagente gaf de fietser zonder licht een bekeuring.
A
de politieagente
B
gaf
C
licht
D
een bekeuring

Slide 6 - Quiz

Noteer alle werkwoorden in de zin
Wat is het lijdend voorwerp?
De politieagente gaf de fietser zonder licht een bekeuring.
A
de politieagente
B
de fietser
C
licht
D
een bekeuring

Slide 7 - Quiz

wat (soms: wie) + gezegde + onderwerp
Zoek het meewerkend voorwerp:
aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Wat is het meewerkend voorwerp?
De politieagente gaf de fietser
zonder licht een bekeuring.
A
de politieagente
B
gaf
C
de fietser zonder licht
D
een bekeuring

Slide 9 - Quiz

aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

Gezegde: gaf
Onderwerp: de politieagente
Lijdend voorwerp: een bekeuring

Aan wie gaf de politieagente een bekeuring? De fietser zonder licht
Wat is het meewerkend voorwerp?
William mailt zijn vakantiefoto's
aan zijn ouders.
A
William
B
mailt
C
zijn vakantiefoto's
D
aan zijn ouders

Slide 10 - Quiz

aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

Gezegde: mailt
Onderwerp: William
Lijdend voorwerp: zijn vakantiefoto's 

Aan wie mailt William zijn vakantiefoto's? Aan zijn ouders
Wat is het meewerkend voorwerp?
Mijn broer heeft mij vanmiddag
een broodje gezond gegeven.
A
mijn broer
B
heeft
C
mij
D
een broodje gezond

Slide 11 - Quiz

aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

Gezegde: heeft gegeven
Onderwerp: Mijn broer
Lijdend voorwerp: een broodje gezond

Aan wie heeft mijn broer een broodje gezond gegeven? Mij