Unidad 3

Unidad 3 ¿Qué tiempo hace?
  • Je kunt zeggen wat voor weer het is.
  • Je kunt de natuurverschijnselen en -rampen benoemen
  • Je kent de maanden van het jaar
  • je kunt de hoofdlijnen van het weerbericht (las noticias del tiempo) begrijpen
1 / 20
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvmbo lwoo, havoLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Unidad 3 ¿Qué tiempo hace?
  • Je kunt zeggen wat voor weer het is.
  • Je kunt de natuurverschijnselen en -rampen benoemen
  • Je kent de maanden van het jaar
  • je kunt de hoofdlijnen van het weerbericht (las noticias del tiempo) begrijpen

Slide 1 - Slide

¿Qué tiempo hace?
llover
het is bewolkt
nevar
het is mistig
está nublado
regenen
hay niebla
het waait
llueve
het regent
hace viento
sneeuwen
nieva
het sneeuwt

Slide 2 - Slide

¿Qué tiempo hace hoy?
Noem minstens drie dingen.
Je kunt ook vertellen wat voor weer het niet is...

Slide 3 - Slide

¿Cómo se dice...?
En Nederland regent het altijd. (llover)
In het zuiden van Spanje sneeuwt het nooit. (nevar)

Slide 4 - Slide

Ejercicio 7: Desastres naturales
A continuación = hieronder (in wat volgt)

1) caer = vallen
peligroso/-a = gevaarlijk
campos de cultivo = akkers
matar = doden
el ganado = het vee
estropear = bederven
la cosecha = de oogst


Slide 5 - Slide

Ejercicio 7: Desastres naturales
2) destruir = vernietigen
el prado = de wei(de)
el bosque = het bos
el daño = de schade
ocasionar = veroorzaken

Slide 6 - Slide

Ejercicio 7: Desastres naturales
3) causar = veroorzaken
el desabordamiento = het buiten zijn oevers treden
la rotura = het breken, de breuk
una presa = een dam

Slide 7 - Slide

Ejercicio 7: Desastres naturales
4) la tierra = de aarde
el movimiento = de beweging
la carretera = de weg
el puente = de brug
la desgracia = het ongeluk

5) la descarga = de schok
acompañar = vergezellen
la luz = het licht

Slide 8 - Slide

Ejercicio 7: Desastres naturales
6) una corriente = een stroom
girar = draaien

Slide 9 - Slide

Los objetivos de hoy
Ik kan zien in welke tijd een zin staat (tegenwoordige tijd, verleden tijd, toekomende tijd).
Ik kan het persoonlijk voornaamwoord in de functie van lijdend voorwerp herkennen en gebruiken in een zin.

Slide 10 - Slide

Los diferentes tiempos
Por la mañana siempre bebo un vaso de leche.

Carlos no puede ir a la piscina: está estudiando.

Esta mañana/esta tarde/esta noche he hablado con mi abuela.

Mañana voy a hacer mis deberes.

Slide 11 - Slide

¡Ahora vosotros!

comer
leer
ver la televisión
escribir

presente - gerundio - pretérito perfecto - futuro próximo

Slide 12 - Slide

Wederkerende werkwoorden: 
Levantarse
Me levanto
Te levantas
Se levanta
Nos levantamos
Os levantáis
Se levantan

Slide 13 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord in de functie van lijdend voorwerp
Zie je me?
Ja, ik zie jou.
Zie je dat meisje met het rode haar? Ja, ik zie haar.
Ik zie hem/jullie/u, etc.

Je kunt het lijdend voorwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.

Slide 14 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord in de functie van lijdend voorwerp: de vorm
me
te 
lo / la
nos
os
los / las

Slide 15 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord in de functie van lijdend voorwerp: de plaats
Het persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp kan vóór de persoonsvorm staan, zoals in:
 "Conoces a la profesora de inglés? - No, no la conozco."

 

Het kan echter ook direct achter het hele werkwoord worden geplaatst, zoals in "Me gustan las gafas. Quiero comprarlas."

Slide 16 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord in de functie van lijdend voorwerp
Me gusta mucho este periódico (krant).
.......................... leo todos los días.

¡Eres un padre fantástico, papá! ¡
 ................................ quiero mucho!

Me gustan mucho las películas de El Señor de los Anillos.
................................. he visto todas.


Slide 17 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord in de functie van lijdend voorwerp
No puedo usar el diccionario. 
No .............................. tengo aquí.

Estoy haciendo los deberes.
............................ voy a terminar antes de salir con mis amigos.
Of: voy a terminar...................... antes de salir con mis amigos.


Slide 18 - Slide

Los deberes
Haz los ejercicios: 8, 9 en 10
Haz los ejerciocs 7 en 8 online (Huiswerk- Unidad 3 - gramática 3.2)

Slide 19 - Slide

Evaluación del vocabulario
1. Cuando una asignatura no te interesa, la asignatura es ....
2. Esta casa no es moderna, es ...
3. Conducir a una velocidad de 200 kilómetros por hora es muy ...
4. .... es lunes el 15 de enero de 2024.
5. El .... fin de semana vamos a ir al cine.
6. Esta .... me he levantado a las ocho y media.
7. Otra palabra para bonito.
8. Otra palabra para en este momento.
9. Una granizada .... puede causar mucho daño.

Slide 20 - Slide