Werkwoorden - zelfstandige naamwoorden - bijvoeglijke naamwoorden

Werkwoorden - zelfstandige naamwoorden - bijvoeglijke naamwoorden
1 / 45
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Werkwoorden - zelfstandige naamwoorden - bijvoeglijke naamwoorden

Slide 1 - Slide

Werkwoord?

Slide 2 - Open question

  • kenmerken van het ww
       ->Een werkwoord geeft aan wat iemand doet, wat er gebeurt of wat er is.


       vb. lopen, kijken, zijn....
Het werkwoord

Slide 3 - Slide

Zelfstandig naamwoord?

Slide 4 - Open question

Het zelfstandig naamwoord

Slide 5 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord?

Slide 6 - Open question

Het bijvoeglijk naamwoord

Slide 7 - Slide

Quiz

Slide 8 - Slide

dansen
slapen
voetballen
afkijken
vallen
zwemmen
lachen
WERKWEWWRWOORDEN
WERKWOORDEN

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Welk woord is een werkwoord?
A
papegaai
B
juf
C
mooi
D
zingen

Slide 11 - Quiz

Welk woord is een werkwoord?
A
stoelen
B
draaien
C
doos
D
meisje

Slide 12 - Quiz

Welk woord is een werkwoord?
A
meloen
B
stuk
C
auto
D
eet

Slide 13 - Quiz

Welk woord is een werkwoord?
A
gaatjes
B
vallen
C
zus
D
winkel

Slide 14 - Quiz

Wat is een werkwoord
A
Dingen die je kunt doen
B
Optellen
C
Aftellen
D
Niks

Slide 15 - Quiz

Welk woord is een werkwoord?
A
vliegtuig
B
vlieg
C
helikopter
D
hoog

Slide 16 - Quiz

Wat is het werkwoord in de zin?
De muis glipt door het gaatje in de muur.
A
de muis
B
glipt
C
gaatje
D
muur

Slide 17 - Quiz

Wat is het werkwoord in de zin?
Evert valt van de trap.
A
Evert
B
valt
C
van
D
trap

Slide 18 - Quiz

Wat is het werkwoord in de zin?
Senne en Elena kopen een meloen.
A
meloen
B
Senne
C
kopen
D
een

Slide 19 - Quiz

Wat zijn de kenmerken van een zelfstandig naamwoord?
A
Heeft een verkleinwoord
B
Heeft een meervoud
C
Heeft een lidwoord
D
Heeft alle drie deze kenmerken

Slide 20 - Quiz

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?
A
grote
B
een
C
zon
D
werken

Slide 21 - Quiz

Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin?
"Ook arme mensen kwamen naar de waarzegster luisteren."
A
arme + mensen
B
mensen
C
kwamen + waarzegster
D
waarzegster + mensen

Slide 22 - Quiz

Welke woordsoort is "glimt" in deze zin?
De rode auto glimt zo mooi.
A
zelfstandig naamwoord
B
werkwoord
C
lidwoord
D
voorzetsel

Slide 23 - Quiz

Welke woordsoort is "grote" in deze zin?
De grote ballon vliegt door de lucht.
A
lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 24 - Quiz

Welke woordsoort is "school" in deze zin?
De jongen fietst naar school.
A
zelfstandig naamwoord
B
lidwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
voorzetsel

Slide 25 - Quiz

Klik op de zelfstandige naamwoorden.

Jan gaat met de fiets naar de winkel.
A
fiets
B
de
C
naar
D
Jan

Slide 26 - Quiz

Klik op de zelfstandige naamwoorden.

Wij eten graag kip met appelmoes.
A
kip
B
eten
C
appelmoes
D
wij

Slide 27 - Quiz

Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin: Mijn zus maakt een bijzondere tekening voor haar vriendin.
A
zus
B
bijzondere
C
maakt
D
vriendin

Slide 28 - Quiz

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
A
voegt een eigenschap of extra informatie aan iets.
B
Geeft een aantal of hoeveelheid van iets anders aan.
C
Een woord voor een mens, dier, plant,….
D
Toont een verband tussen een ZN en de rest van de zin.

Slide 29 - Quiz

Welk soort woord is dit?

tafel
A
lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 30 - Quiz

Welk soort woord is dit?

spelen
A
lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 31 - Quiz

Welk soort woord is dit?

bal
A
lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord

Slide 32 - Quiz

Een bijvoeglijk naamwoord geef extra uitleg over
A
een lidwoord
B
een werkwoord
C
een bijwoord
D
een zelfstandig naamwoord

Slide 33 - Quiz

Waar staat het bijvoeglijk naamwoord meestal?
A
achter het zelfstandig naamwoord
B
voor het zelfstandig naamwoord

Slide 34 - Quiz

'groen' is een
bijvoeglijk naamwoord
A
ja, het zegt 'hoe' iets is
B
nee, het is een werkwoord
C
ja, want je zegt 'het groen'
D
nee, het is een zelfstandig naamwoord

Slide 35 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in deze zin? De grote hond blaft luid.
A
hond
B
grote
C
blaft
D
luid

Slide 36 - Quiz

Over welk woord geeft
een BIJVOEGLIJK NAAMWOORD
meer informatie?
A
Over het werkwoord
B
Over het zelfstandig naamwoord

Slide 37 - Quiz

zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
timer
1:00
woorden die zeggen 
hoe het zelfstandig naamwoord is.
woorden een naam geven aan 
mensen, dieren, planten en dingen.
woorden die zeggen 
wat het onderwerp doet of is.
woorden die iets zeggen over het genus en bepaaldheid van een woord.

Slide 38 - Drag question

Waarom is een stoot(1) tegen je elleboog soms zo pijnlijk? Als je je elleboog stoot(2), kan dat een korte, heftige pijn geven. Het voelt aan alsof je een elektrische schok krijgt. Je raakt dan de elleboogzenuw. Die ligt niet, zoals andere zenuwen onder botten of spieren, maar er bovenop. Daardoor doet je elleboog stoten zo'n pijn.
Zelfstandige naamwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
werkwoorden
stoot(1)
stoot(2)
heftige
elleboogzenuw
pijn

Slide 39 - Drag question

Werkwoord
Geen werkwoord
zwemmen
schouders
struikelen
alpaca
koken
Kerstmis

Slide 40 - Drag question

zelfstandig naamwoord
werkwoord
juf
rijden
drink
zwem
trein
eten
directeur
brug

Slide 41 - Drag question

De
verkoper
glimlacht.
Werkwoord
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord

Slide 42 - Drag question

zelfstandige naamwoorden
Werkwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
lidwoorden

slapen
bloempot
de
het
een
mooie

Slide 43 - Drag question

Het zelfstandig naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord
Woorden, namen van mensen, dieren, planten en dingen.
Zegt meestal iets over een zelfstandig naamwoord.
Kan in het enkelvoud,  meervoud en verkleinvorm voorkomen.
Kan een lidwoord bijstaan.
Kan van vorm veranderen.

Slide 44 - Drag question

Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
hond
groen
mooi
kastanjeboom
snoepje
Marieke
boek
harde
oud

Slide 45 - Drag question