TDZad Verbanden

Introductie
De vorig les heb je geoefend met tekstdoelen zoals .... (vul in).

Net zoals er verschillende kasten zijn, zijn er ook verschillende teksten met verschillende doelen. Een kledingkast herken je aan een stang voor hangertjes . Een betoog herken je aan argumenten ... Kasten zitten in elkaar via schroeven. Teksten zitten in elkaar via ...... signaalwoorden. Dat is het onderwerp van deze les.
1 / 27
next
Slide 1: Open question
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Introductie
De vorig les heb je geoefend met tekstdoelen zoals .... (vul in).

Net zoals er verschillende kasten zijn, zijn er ook verschillende teksten met verschillende doelen. Een kledingkast herken je aan een stang voor hangertjes . Een betoog herken je aan argumenten ... Kasten zitten in elkaar via schroeven. Teksten zitten in elkaar via ...... signaalwoorden. Dat is het onderwerp van deze les.

Slide 1 - Open question

Schroeven en spijkers verbinden de planken met elkaar. Een heel ander voorbeeld: aan een trouwring kun je zien dat twee mensen aan elkaar zijn verbonden.
Hoe zijn woorden/zinnen/alinea's met elkaar verbonden? Via
A
kernzinnen
B
signaalwoorden
C
lidwoorden
D
werkwoorden

Slide 2 - Quiz

Er zijn heel veel verschillende signaalwoorden. Na de instructie kun jij
- 5 soorten van signaalwoorden met verbanden noemen
- bij elke soort een voorbeeld geven
- signaalwoorden herkennen in een tekst. 

Hoe? 
1 Eerst bekijk je een filmpje met uitleg
2 Daarna oefen je met enkele opdrachten
3 We kijken samen terug, en maken zelfstandig een eindopdracht.

Slide 3 - Slide

Samengevat (vul in):
Deze les gaat over .... . Dit zijn woorden als en, doordat, want      Door gebruik van signaalwoorden gaan woorden, zinnen en/of alinea's echt bij elkaar horen:
- Er is rook, maar het brandalarm gaat niet af.
- Hij gaat toch maar bukken, want dat schijnt het beste te zijn om uit de rook en dampen te blijven.
- Hij zat gelukkig op de begane grond, dus hij was snel buiten.

Slide 4 - Slide

WELK WOORD HOORT OP DE ......
Samengevat:
Deze les gaat over ...................... Dit zijn woorden als en, doordat, want Door gebruik van .................... gaan woorden, zinnen en/of alinea's echt bij elkaar horen:
- Er is rook, maar het brandalarm gaat niet af.
- Hij gaat toch maar bukken, want dat schijnt het beste te zijn om uit de rook en dampen te blijven.
- Hij zat gelukkig op de begane grond, dus hij was snel buiten.

Slide 5 - Open question

Slide 6 - Slide

Wat is ook alweer het onderwerp van deze les?

Slide 7 - Open question

Noem tenminste een (1) doel van deze les

Slide 8 - Open question

Wat ga je doen?

Je gaat nu een filmpje bekijken. Maak daarna de opdrachten op jouw eigen tempo.

Over een 20 minuten komen we samen. We bespreken na en ronden af met een testje (een gatentekst).

Heel erg veel succes! 

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

Stap 2 Leg nu in eigen woorden uit wat volgens jou een signaalwoord is

Slide 11 - Open question

Slide 12 - Link

Slide 13 - Slide

Bekijk de lijst met signaalwoorden op de vorige slide. Noteer drie lastige signaalwoorden.

Slide 14 - Open question

Wat is het woordje 'maar' in de volgende zin:
Er is rook, maar het brandalarm gaat niet af.

Slide 15 - Open question

Wat voor woordje is 'want' in de volgende zin:
Hij gaat toch maar bukken, want dat schijnt het beste te zijn om uit de rook en dampen te blijven.

Slide 16 - Open question

Hij zat gelukkig op de begane grond, dus hij was snel buiten.
Het woordje DUS legt een link tussen twee stukjes van de zin. Welke twee stukjes?

Slide 17 - Open question

Welk verband legt het signaalwoord? De deurklink was bloedheet door het vuur in de kamer.
A
door = reden
B
door = middel
C
door = oorzaak
D
door = tegenstelling

Slide 18 - Quiz

Welk verband legt het signaalwoord:
Ondanks zijn zere hand wist hij de deur open te krijgen.
A
Ondanks = middel
B
Ondanks = tegenstelling
C
Ondanks = oorzaak
D
Ondanks = opsomming

Slide 19 - Quiz

Welk verband legt het signaalwoord:
Het lukt hem ook nog om het kind te redden.
A
ook = opsomming
B
ook = middel
C
ook = voorwaarde
D
ook = voorbeeld

Slide 20 - Quiz

Welk verband legt het signaalwoord:
Als de rookmelder het wel had gedaan, was de brand voorkomen.
A
Als = tegenstelling
B
Als = voorbeeld
C
Als = doel/middel
D
Als = voorwaarde

Slide 21 - Quiz

Lithium Ion accu’s zijn zo populair omdat er een grote hoeveelheid energie in opgeslagen kan worden, de accu’s een lange levensduur hebben en omdat ze nauwelijks leeglopen wanneer ze een tijdje niet gebruikt worden. Helaas neemt met de populariteit van deze accu’s ook het aantal (brand-) incidenten toe.

Slide 22 - Open question

Maak nu vijf (kloppende :)) zinnen met daarin een signaalwoord. Geef ook het verband aan.

Slide 23 - Open question

Lukt het je om vijf verbanden op te noemen?

Verbanden en
signaalwoorden

Slide 24 - Mind map

Samengevat: 
Signaalwoorden leggen een link/connectie tussen stukjes tekst (woorden, zinnen, alinea's).
Door signaalwoorden ontstaat er verband: 

woorden, zinnen en alinea's horen bij elkaar en de tekst wordt een geheel.

Slide 25 - Slide

Dank je voor jouw deelname aan de les. Heb je het doel behaald, denk je?

Slide 26 - Open question

De volgende les gaat over de opbouw van een tekst. Wat komt eerst, wat daarna en hoe. De signaalwoorden ga je ook dan weer tegen komen …
Tot ziens! En dank voor jou feedback hieronder.

Slide 27 - Open question