This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 180 min
Items in this lesson
¿Qué tal?
Hoy: el TT 4+5 + ser/estar
repaso qué/cuál
hola chic@s, hoy es martes 9 de junio
timer
15:00
Slide 1 - Slide
Programa de hoy:
Repaso
onbepaald vnw
Programa nuevo
2e deel unidad 2: gastando dinero, 5 t/m De Fiesta
- pronombres personales:
lijdend en meewerkend voorwerp
Slide 2 - Slide
Het gebruik van ¿qué? en ¿cuál / cuáles?
TB p. 128 11.1.1
QUÉwordt gebruikt om een keuze te maken tussen verschillende zaken of om een open vraag te stellen:
- ¿Qué prefieres: ir de compras o nadar? = qué + ww
Wat wil/doe je liever: winkelen of zwemmen?
- ¿Qué productos compras por Internet? = qué + zelfst.nw
Welke producten koop je via Internet?
QUÉwordt ook gebruikt om te vragen naar een definitie:
- ¿Qué es un teléfono? = qué+ser+definitie
Wat is een telefoon? Een telefoon is een communicatiemiddel.
Slide 3 - Slide
Het gebruik van ¿qué? en ¿cuál / cuáles?
CUÁL / CUÁLES wordt gebruikt om een keuze te maken tussen verschillende soorten van één zaak of categorie
- Tengo muchas camisetas, ¿Cuál te gusta más? = Welke (van de T-shirts) vind je
het leukst? ¿Cuál (de las camisetas) te gusta más?
CUÁL / CUÁLESwordt vaak in combinatie met het werkwoord SER (es, son) gebruikt (behalve bij het vragen naar definitie)
- ¿Cuál es tu canción (liedje) favorita?
OJO: Na CUÁL / CUÁLES komt NOOIT een zelfstandig naamwoord
Slide 4 - Slide
qué/ cuál
¿Qué compras por internet? ¿qué? + ww
Wat koop je online? = open vraag
¿Cuáles compra por internet? ¿Cuál/cuáles? + ww
Welke koop je online? = verwijst terug naar iets
bijvoorbeeld: ¿Compras productos por internet? ¿Cuáles compras por internet?
Slide 5 - Slide
juego de verbos
automatizar los verbos en indefinido
1= saber
2= poner
3= ver
4= poder
5=ir
6= tener
Slide 6 - Slide
juego de verbos
automatizar los verbos en indefinido
1= estar
2= pedir
3= decir
4= hacer
5=querer
6= venir
Slide 7 - Slide
repaso Indefinido
practicar con el uso
mening geven/beoordelen van een gebeurtenis uit verleden
Teun, tu fiesta de cumpleaños, ¿qué tal?
ver pagina 50 TB, ej. 13
Slide 8 - Slide
onbepaald vnw
Slide 9 - Slide
¿ Recuerdas? Los pronombres indefinidos
Algo, nada, todo: zaken
alguien en nadie: personen worden zelfst. gebruikt
cada voor personen EN zaken
alguno (a/os/as)
ninguno( a) hebben altijd betrekking op zelfst. nw todo/a el/la.....
todos/as los /las
1.ninguno en alguno verliezen de -o- voor een mnl zelfst.nw: ningún/algún.<div>2. staan nada, nadie en ninguno: achter het ww dan komt<span style="font-weight: bold"> no </span>ervoor!!<br><div><br></div></div>
Slide 10 - Slide
iets
niets
alles
geen ( enkele)
allemaal
enkele
iemand
niemand
alguien
algo
todo
alguno
ninguno
nadie
nada
Todos
Slide 11 - Drag question
vertaal: ik vind het helemaal niet leuk
A
no me gusta nada
B
me gusta nada
C
Encuentro nada
D
no encuentro nada
Slide 12 - Quiz
Vertaal: Heeft u geen enkel boek van Isabel Allende?
A
¿tiene algúno libro de I?
B
¿ tiene algún libro de I?
C
¿tiene ningún libro de I?
D
¿no tiene ningún libro de I?
Slide 13 - Quiz
vertaal: ik studeer de hele week
A
estudio todas las semana
B
estudio por las semanas
C
estudio toda la semana
D
estudio toda semana
Slide 14 - Quiz
¿ Recuerdas?
lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp:
Slide 15 - Slide
¿ Recuerdas?
meew. voornw = CI
Complemento Indirecto
lijdend voornw. =CD
Complemento directo
Slide 16 - Slide
Het lijdend voorwerp ( Complemento Directo):
ik koop een roos:
Wat koop ik? : een roos.
Een roos is lijdend voorwerp. Ik koop hem (= lijdend vnw)
Plaats : vóór pv óf achter de infinitivo/gerundio, eraan vast geschreven
'zijn vriendin' is meew. voorwerp. Hij geeft haar de roos (= mw vnw
"Plaats : vóór de pv of achter de infinitivo/gerundio ( eraan vast geschreven)
Slide 20 - Slide
Het meewerkend voorwerp (Complemento Indirecto):
Hij geeft de roos aan zijnvriendin
Aan wie geeft hij de roos? Aan zijn vriendin
'zijn vriendin' is meew. voorwerp. Hij geeft haar de roos (= mw vnw
"Plaats : vóór de pv of achter de infinitivo/gerundio ( eraan vast geschreven)
me, te, le, nos, os, les
1 J. nunca <span style="color: rgb(236, 72, 77); font-weight: bold">me</span> dice la verdad<div>2. Yo <span style="color: rgb(236, 72, 77); font-weight: bold">os </span>explico....</div><div>3.Mi amigo <span style="color: rgb(236, 72, 77); font-weight: bold">le</span> hace una pregunta</div><div>4. I. siempre <span style="color: rgb(236, 72, 77); font-weight: bold">les</span> regala.....</div><div>5. Mañana <span style="color: rgb(236, 72, 77); font-weight: bold">te </span>damos una....</div><div>6. <span style="color: rgb(236, 72, 77); font-weight: bold">Le </span>preparo una fiesta sorpresa</div>
Slide 21 - Slide
Nr. 5 p. 22 TB
Gastando dinero
leemos el texto
onderstreep de mv en lv vormen
vervang el vestido door la falda
Escuchamos los diálogos en otras tiendas (Nr. 5b).
¿Dónde tienen lugar?
11
12
<div>1. En una zapatería</div><div>a. Los zapatos tienen un 40% de descuento.</div><div>b. El hombre calza el número 43.</div><div>c. El cliente quiere pagar con tarjeta de crédito.</div>
<div>2. En una tienda de ropa</div><div>a. La clienta tiene un problema con un jersey.</div><div>b. la clienta quiere cambiar el jersey.</div><div>c. La clienta necesita el ticket de compra</div>
Slide 22 - Slide
Nr. 5c TB:
zie schema in je tekstboek.
Welke zin zegt de klant en welke de verkoper? Door welke zelfst.nw. zou je de voornaamwoorden in de laatste kolom kunnen vervangen?
1.+2 : lo= el vestido la= la falda<div>3. el jersey</div><div><br></div><div>4.le = meew. vnw kun je niet vervangen wél verdubbelen door bijv. señor/ señora</div>
¿ Recuerdas?
meew.vnw =Complemento Indirecto : me, te, le, nos, os, les