19 jan

Lunes, 19 de Enero de 2026
1 / 10
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 3

This lesson contains 10 slides, with text slides.

Items in this lesson

Lunes, 19 de Enero de 2026

Slide 1 - Slide

Programa 


Examen lectura --> febrero

Primera hora:  Vocabulario

Segunda hora:  Lectura


Doel: Leesstrategieën  gebruiken en tekst begrijpen

Slide 2 - Slide

1. Meerkeuzevragen (multiple choice)

Je kiest het juiste antwoord (A, B, C of D)

Gaat vaak over:

de hoofdgedachte

details uit de tekst

bedoeling van de schrijver


2. Open vragen (in het Nederlands)

Korte antwoorden, meestal 1 zin

Bijvoorbeeld:

Waarom doet de hoofdpersoon dit?

Wat is het gevolg van …?

⚠️ Antwoorden moeten altijd in het Nederlands, ook al is de tekst Spaans

Slide 3 - Slide

3. Waar / Niet waar (+ citaat)

Je geeft aan of een bewering klopt of niet


4. Kopjes bij alinea’s

Je koppelt een passende titel aan elke alinea

Test of je de hoofdzaken herkent

Slide 4 - Slide

5. Betekenis van woorden of zinnen

Wat betekent een Spaans woord of uitdrukking in deze context

Soms met meerkeuze, soms open
6. Doel of mening van de schrijver

Bijvoorbeeld:

informeren

waarschuwen

overtuigen

amuseren

Slide 5 - Slide

1. Preguntas sobre la idea principal (hoofdvraag)

Deze komen heel vaak voor!

¿De qué trata el texto?
→ Waar gaat de tekst over?

¿Cuál es la idea principal del texto?
→ Wat is de hoofdgedachte van de tekst?

¿Qué se dice principalmente en el texto?
→ Wat wordt vooral gezegd?
2. Preguntas sobre detalles (details)

Ook zeer frequent.

¿Por qué …?
→ Waarom …?

¿Qué pasa cuando …?
→ Wat gebeurt er wanneer …?

¿Qué dice el texto sobre …?
→ Wat zegt de tekst over …?

Según el texto, …
→ Volgens de tekst …

Slide 6 - Slide

4. Verwijswoorden

Komt bijna elk examen terug!

¿A qué se refiere la palabra “…”?
→ Waar verwijst het woord “… ” naar?

La palabra “esto/eso/él/ella” se refiere a …
→ Het woord … verwijst naar …
5. Betekenis van woorden of zinnen

Regelmatig aanwezig.

¿Qué significa la palabra “…”, según el texto?
→ Wat betekent het woord … volgens de tekst?

¿Qué quiere decir … en la línea …?
→ Wat betekent … in regel …?5. 

Slide 7 - Slide

Signaalwoorden
Top-10 Signaalwoorden voor CE Spaans TL ⭐
1. Pero  maar
2. Porque  omdat
3. por eso  daarom
4. aunque  hoewel
5. además  bovendien
6. sin embargo  echter/ noch
7. cuando  Wanneer
8. si  als/ indien
9. por ejemplo  bijvoorbeeld
10. en conclusión  tot slot

Examentip voor leerlingen: Zie je pero / aunque / sin embargo? 👉 Lees extra goed: daar staat vaak het juiste antwoord.

Slide 8 - Slide

Lectura

Slide 9 - Slide

Stappenplan
Stap 1 -->  Lees/kijk, titel, plaatjes, Inleiding
Stap 2 --> Lees de vragen 

Slide 10 - Slide