Drama:
Doen alsof, met je eigen lichaam als belangrijkste werkmateriaal
Kijk wat je ziet tijdens de scène en schrijf op wat opvalt.
Dialoog:
gesprek tussen twee mensen waarbij het doel is elkaar begrijpen en nieuwe ideeën te krijgen
bedenk in een groepje (2 of 3) een korte scène waarin jullie namen vijf keer voorkomen. Zet de tekst voor jezelf op papier.
( vijf minuten voorbereiden)
bijvoorbeeld: In het ziekenhuis....
"Zuster Jannie?" "Ja, patiënt Jan, wat is er?"
"Zuster Jannie kunt u even komen?" "Nee Jan, ik ben even met een bloedtest bezig." "Zuster Jannie, het is heel dringend."
"Jan, ik heb net gezegd dat ik met bloed bezig ben. Dus even geduld."
"Zuster Jannie, ik moet heel nodig!" "Nou dan zul je het toch even moeten ophouden Jan, want mijn bloedproef is nog niet af."
"Nou zuster Jannie, breng dan maar meteen een schone pyjama mee."
"Jan, had je dan niet eerder kunnen waarschuwen!"
Tellen tot 20
In een kring staan
docent start met 1
iemand roept 2
iemand anders 3 enz..
als meerdere tegelijk roepen beginnen we opnieuw
Samen een verhaal maken
de docent begint met een zin
de leerling ernaast vult aan met een tweede zin
als iedereen geweest is hebben we een verhaal
Tellen tot 30
de docent met 1
de volgende leerling, die staat niet naast de docent maar eentje verder, noemt 2, weer eentje overslaan 3, enz.
bij 5, 10 , 15, 20, 25 en 30 zeg je floep, want dat is de tafel van 5
wanneer je een fout maakt ben je af
Emotie is een gevoel
Boos/kwaad
Blij/vrolijk
Verdrietig
Angt
Opdracht;
Speel de dialoog van het kaartje met het gevoel dat op het kaartje staat. Speel daarna dezelfde dialoog met het tweede gevoel dat op het kaartje staat.
Voorbeeld;
Docent doet het eerst voor en jullie schrijven op welke emotie erbij hoort.
'Wat ben jij vandaag aardig zeg"