Rekenen met de getallenlijn
Rekenen met de getallenlijn
Open de les met de getallenlijn als hulpmiddel om aantallen, sprongen en buurgetallen zichtbaar te maken.
Lesdoel
Ik kan op de getallenlijn rekenen met verliefde harten, verder en terug tellen, en sprongen van 10 maken tot en met 100.
This item has no instructions
Welk woord past voor jou bij rekenen op de getallenlijn?
Gebruik de antwoorden om voorkennis op te halen, zoals: vooruit, terug, sprongen, tien, tellen, plus, min, hartjes.
Verliefde harten t/m 10
Een verliefd hartje is een optelsom die samen 10 maakt.
1 en 9
2 en 8
3 en 7
4 en 6
5 en 5
Benadruk dat de volgorde omgedraaid kan worden: 1 + 9 en 9 + 1 horen bij hetzelfde verliefde hart.
Verliefde harten t/m 10
Schrijf de sommen als paren die samen 10 zijn.
1 + 9 = 8 + 2 =
5 + 5 = 0 + 10 =
3 + 7 = 6 + 4 =
4 + 6 = 7 + 3 =
2 + 8 = 9 + 1 =
This item has no instructions
10 voorbeelden t/m 10
1 + ? = 10
2 + ? = 10
3 + ? = 10
4 + ? = 10
5 + ? = 10
? + 5 = 10
? + 4 = 10
? + 3 = 10
? + 2 = 10
? + 1 = 10
Laat leerlingen de ontbrekende getallen mondeling noemen. Eventueel ook laten aanwijzen met 10 stippen of vingers.
Welk getal hoort bij 4 + ? = 10?
6
5
7
4
Controleert of leerlingen de verliefde harten tot en met 10 herkennen.
Maak de verliefde harten af
Bij verliefde harten tot en met 10 zoek je twee getallen die samen 10 maken. Zo horen 3 en 7 bij elkaar. Ook 5 en 5 is samen 10.
Benadruk dat beide getallen samen precies 10 moeten zijn.
Verliefde harten t/m 20
Nu zoeken we tweetallen die samen 20 zijn.
1 en 19
2 en 18
3 en 17
4 en 16
5 en 15
Noem dat dezelfde gedachte als bij 10 blijft gelden: twee getallen vullen elkaar aan tot 20.
Verliefde harten t/m 20
Meer verliefde harten die samen 20 maken.
6 en 14
7 en 13
8 en 12
9 en 11
10 en 10
This item has no instructions
10 voorbeelden t/m 20
1 + ? = 20
2 + ? = 20
4 + ? = 20
6 + ? = 20
8 + ? = 20
? + 11 = 20
? + 13 = 20
? + 15 = 20
? + 18 = 20
? + 19 = 20
Laat leerlingen de structuur zien: als het ene getal groter wordt, wordt het andere kleiner.
Welk verliefd hart maakt samen 20?
9 en 11
9 en 10
8 en 11
10 en 11
Laat leerlingen denken aan aanvullen tot 20.
Vul de getallen aan tot 20
Bij verliefde harten tot en met 20 vullen twee getallen elkaar aan. Bij 6 en 14 krijg je samen 20. Ook 10 en 10 hoort daarbij.
Herhaal de structuur: het ene getal groter, het andere kleiner.
Verder tellen t/m 100
Verder tellen betekent: je begint bij een getal en telt vooruit.
Op de getallenlijn ga je naar rechts.
Voorbeelden:
34, 35, 36, 37
58, 59, 60, 61
Koppel steeds het hardop tellen aan de richting op de getallenlijn: vooruit is naar rechts.
10 voorbeelden verder tellen
Tel verder vanaf 7
Tel verder vanaf 12
Tel verder vanaf 19
Tel verder vanaf 26
Tel verder vanaf 33
Tel verder vanaf 41
Tel verder vanaf 54
Tel verder vanaf 68
Tel verder vanaf 75
Tel verder vanaf 89
Laat leerlingen telkens minstens vier volgende getallen noemen.
Terug tellen t/m 100
Terug tellen betekent: je begint bij een getal en telt achteruit.
Op de getallenlijn ga je naar links.
Voorbeelden:
43, 42, 41, 40
70, 69, 68, 67
Veel leerlingen draaien de richting om. Wijs daarom duidelijk links en rechts aan op de getallenlijn.
10 voorbeelden terug tellen
Tel terug vanaf 10
Tel terug vanaf 17
Tel terug vanaf 24
Tel terug vanaf 31
Tel terug vanaf 45
Tel terug vanaf 50
Tel terug vanaf 63
Tel terug vanaf 78
Tel terug vanaf 92
Tel terug vanaf 100
Laat leerlingen telkens minstens vier vorige getallen noemen.
Welke richting ga je op bij verder tellen?
naar links
omhoog
naar rechts
omlaag
Sluit aan op de uitleg van de getallenlijn: verder tellen is vooruit, dus naar rechts.
Verder en terug tellen
Bij verder tellen ga je op de getallenlijn naar rechts. Bij terug tellen ga je naar links. Vanaf 43 terug tellen wordt 42, 41, 40.
Controleert zowel richting als een eenvoudig voorbeeld van terugtellen.
Sprongen van 10 maken
Bij sprongen van 10 verandert alleen het tiental.
Op de getallenlijn maak je een grote sprong.
Voorbeelden:
23 → 33 → 43
56 → 66 → 76
Benadruk dat het cijfer van de eenheden gelijk blijft bij +10 of -10, zolang je binnen hele getallen tot 100 blijft.
Zo kijk je naar +10
14 + 10 = 24
27 + 10 = 37
35 + 10 = 45
48 + 10 = 58
62 + 10 = 72
Het laatste cijfer blijft gelijk.
Gebruik eventueel een honderdveld of plaatswaardetabel als extra steun voor leerlingen die het tiental en eenheid nog verwarren.
Voorbeeld 1 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 6
6 → _ → → _
Antwoorden: 16, 26, 36.
Voorbeeld 2 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 12
12 → _ → → _
Antwoorden: 22, 32, 42.
Voorbeeld 3 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 18
18 → _ → → _
Antwoorden: 28, 38, 48.
Voorbeeld 4 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 21
21 → _ → → _
Antwoorden: 31, 41, 51.
Voorbeeld 5 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 24
24 → _ → → _
Antwoorden: 34, 44, 54.
Voorbeeld 6 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 29
29 → _ → → _
Antwoorden: 39, 49, 59.
Voorbeeld 7 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 33
33 → _ → → _
Antwoorden: 43, 53, 63.
Voorbeeld 8 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 37
37 → _ → → _
Antwoorden: 47, 57, 67.
Voorbeeld 9 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 40
40 → _ → → _
Antwoorden: 50, 60, 70.
Voorbeeld 10 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 45
45 → _ → → _
Antwoorden: 55, 65, 75.
Voorbeeld 11 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 51
51 → _ → → _
Antwoorden: 61, 71, 81.
Voorbeeld 12 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 56
56 → _ → → _
Antwoorden: 66, 76, 86.
Voorbeeld 13 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 60
60 → _ → → _
Antwoorden: 70, 80, 90.
Voorbeeld 14 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 64
64 → _ → → _
Antwoorden: 74, 84, 94.
Voorbeeld 15 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 15
15 → _ → → → _
Antwoorden: 25, 35, 45, 55.
Voorbeeld 16 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 22
22 → _ → → → _
Antwoorden: 32, 42, 52, 62.
Voorbeeld 17 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 31
31 → _ → → → _
Antwoorden: 41, 51, 61, 71.
Voorbeeld 18 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 43
43 → _ → → → _
Antwoorden: 53, 63, 73, 83.
Voorbeeld 19 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 52
52 → _ → → → _
Antwoorden: 62, 72, 82, 92.
Voorbeeld 20 van 20
Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.
Startgetal: 9
9 → _ → → → _
Antwoorden: 19, 29, 39, 49.
Wat blijft gelijk bij +10?
het tiental
het laatste cijfer
het eerste getal
de richting
De kern uit de uitleg: bij sprongen van 10 blijft de eenheid gelijk en verandert het tiental.
Sprongen van 10
Bij een sprong van 10 verandert het tiental. Bij 23 naar 33 blijft het laatste cijfer gelijk.
Bespreek dat 23, 33 en 43 allemaal op 3 eindigen.
Hoe weet je de volgende getallen bij 9 → 19 → 29?
Goede antwoorden noemen dat je telkens 10 erbij doet en dat het laatste cijfer hetzelfde blijft. Voorbeeld: 9, 19, 29, 39, 49.
Wat heb jij vandaag geleerd?
Laat leerlingen kort terugkijken op wat ze geleerd hebben met de getallenlijn.
Wat vond jij het moeilijkst?
Verwachte antwoorden kunnen gaan over verliefde harten, links/rechts op de getallenlijn of sprongen van 10.
Wat hielp jou het best vandaag?
Laat leerlingen benoemen welke steun hielp, bijvoorbeeld de getallenlijn, hardop tellen of naar het laatste cijfer kijken.
Begrippenlijst
getallenlijn - Een lijn waarop getallen op volgorde staan.
verliefde harten - Twee getallen die samen een vast totaal maken.
optellen - Er komt iets bij.
verder tellen - Tellen naar grotere getallen.
terug tellen - Tellen naar kleinere getallen.
sprong van 10 - Je gaat 10 verder of 10 terug.
tiental - Het deel van een getal dat aangeeft hoeveel tienen het heeft.
This item has no instructions