Kapitel 1 nieuwe editie

Grammatik Kapitel 1
1 / 32
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo t, havo, vwoLeerjaar 1,2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Grammatik Kapitel 1

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Hoe maak je in het Duits de stam van een werkwoord?
A
hele werkwoord
B
hele werkwoord -en
C
ik-vorm

Slide 3 - Quiz

Wat is de stam van "spielen"?

Slide 4 - Open question

Wat is de stam van "kommen"?

Slide 5 - Open question

Wat is de stam van "atmen"?

Slide 6 - Open question

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord.
ik
jij
hij
zij
wij
jullie
het
u
zij
ich
ihr
er
es
wir
du
sie
Sie
sie

Slide 7 - Drag question

regelmatige werkwoorden

Slide 8 - Slide

Regelmatige werkwoorden: wohnen
werkwoord: wohnen, stam:wohn
ich                wohn e
du                wohn st
er/sie/es    wohn t
wir               wohn en
ihr                wohn t
sie/Sie       wohn en



Slide 9 - Slide

Ich (schreiben) …… einen Brief

Slide 10 - Open question

Mein Bruder (spielen) …….. mit dem Ball

Slide 11 - Open question

oefenen
Welke vorm is juist?

Slide 12 - Slide

kaufen

du
A
kaufet
B
kauft
C
kaufest
D
kaufst

Slide 13 - Quiz

gehen

sie
A
gehe
B
geht
C
gehen
D
gehst

Slide 14 - Quiz

en nu in een zin

Slide 15 - Slide

ich (gehen) ............ nach Hause.

Slide 16 - Open question

Er (kaufen) ........... einen Skihelm

Slide 17 - Open question

Anna (wohnen) ............ in Berlin.

Slide 18 - Open question

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Ich (hören) gerne Musik.
A
hort
B
höre
C
horst
D
horen

Slide 19 - Quiz

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Ihr (kaufen) solche teuere Sachen.
A
kaufst
B
kaufen
C
kaufet
D
kauft

Slide 20 - Quiz

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Du (besuchen) die Oma.
A
besucht
B
besuchst
C
besuchen
D
besuche

Slide 21 - Quiz

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Meine Eltern (kommen) morgen.
A
kommen
B
kommt
C
bekommst
D
komme

Slide 22 - Quiz

die Fragewörter
de Vraagwoorden

Slide 23 - Slide

Hoe
A
Was
B
Welche
C
Wie
D
Wann

Slide 24 - Quiz

Wie (naar Duits vertalen)
A
Wie
B
Was
C
Wieviel
D
Wer

Slide 25 - Quiz

Was
A
Wat
B
Wie
C
Waarom
D
Hoe

Slide 26 - Quiz

Wo
A
Wat
B
Waar
C
Wie
D
Waarheen

Slide 27 - Quiz

Bepaald lidwoord (de/het)

mannelijk = der
mannelijke woorden + mannelijke dieren
             vb: der Mann                     der Stier

vrouwelijk = die
vrouwelijke woorden + vrouwelijke dieren +  woorden die eindigen op een -e                 vb: die Frau             die Katze               die Tasche

onzijdig = das
vaak woorden waar je 'het' voor kunt zetten
             vb: das Kind / das Auto 

Slide 28 - Slide

...Onkel

Slide 29 - Open question

...Freundin

Slide 30 - Open question

...Kind

Slide 31 - Open question

....Hahn

Slide 32 - Open question