H3 -K8 Paragraf E: Grammatik

Havo 3 - Woche 20 - Stunde 2
1 / 27
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 3-5

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Havo 3 - Woche 20 - Stunde 2

Slide 1 - Slide

Planung 

Grammatik: der-groep & ein-groep
  • Vorkenntnisse: Präpositionen 3. & 4. Fall, Personalpronomen, Artikelwörter. 
  • Erklärung: der-groep & ein-groep 1e, 3e, 4e naamval
  • Selbstständig üben: K8: Paragraf E: Grammatik 

Ziele

  • Je kent de voorzetsels die vast met de 3e en 4e naamval gaan. 

  • Je kent de persoonlijk voornaamwoorden in de 1e, 3e en 4e naamval. 

  • Je kunt de der- en ein-Gruppe gebruiken in de 1e, 3e, en 4e naamval. 



Slide 2 - Slide

voorzetsels 3e naamval
voorzetsels 4e naamval
mit
entlang
durch
bei
seit
um
gegenüber
bis
von
nach
zu
aus
für
ohne
gegen

Slide 3 - Drag question

Voorzetsels met de 4e naamval:

durch - door
für - voor
gegen - tegen
ohne - zonder
um - om
bis - tot 
entlang - langs
Ich habe das (voor mijn) Mutter gemacht.

für +4 v = meine Mutter
uitleg
liedje!

Slide 4 - Slide

Voorzetsels met de 3e naamval:

aus - uit                     außer - behalve
bei - bij                      entgegen - tegemoet
mit - met                  gegenüber - tegenover
nach - na + naar
seit - sinds
von - van
zu - naar
Ich habe das (met mijn) Mutter gemacht.

mit +3 v = meiner Mutter
uitleg
liedje!

Slide 5 - Slide

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het 
Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 1e naamval
timer
2:00
ik
jij
hij
zij e.v.
wij
jullie
het
u
zij
ich
ihr
er
es
wir
du
sie e.v
Sie
sie

Slide 6 - Drag question

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het
Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval
timer
2:00
u
haar
hem
het
jou
ons
jullie
hen
mij
Sie
uns
ihn
euch
dich
sie
es
sie
mich

Slide 7 - Drag question

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 3e naamval
timer
2:00
mij
jou
hem
jullie
haar
ons
het
hen
u
mir
uns
ihm
ihm
ihr
dir
euch
ihnen
Ihnen

Slide 8 - Drag question

Slide 9 - Slide

Ergänze die fehlenden Wörter.
Wer ist (na u) an der Reihe?

Slide 10 - Open question

Ergänze die fehlenden Wörter.
Mach dir keine Sorgen (om mij).

Slide 11 - Open question

Ergänze die fehlenden Wörter.
Ich komme nach der Geburtstagsfeier gleich (naar hen).

Slide 12 - Open question

Ergänze die fehlenden Wörter.
Wann hast du dich (met hem) verabredet(=afgesproken)?

Slide 13 - Open question

der- Gruppe und ein-Gruppe

Slide 14 - Slide

Grammatik: der & ein -Gruppe 
Niet alleen het persoonlijk voornaamwoord verandert van vorm in de verschillende naamvallen, maar ook het lidwoord. Je gebruikt de verschillende vormen op dezelfde manier als bij het persoonlijk voornaamwoord.  Bijvoorbeeld:

Das Buch ist für ihn. --> Das Buch ist für den Mann.  (der Mann --> den Mann).

Ich fahre mit ihm zur Schule --> Ich fahre mit dem Bus zur Schule. (der Bus --> dem Bus)







Slide 15 - Slide

der-Gruppe bestaat uit:
1. de lidwoorden 
2. dies-, jen, jed-, manch- welch-, solch-, all-

M
V
O
MV
1e
der 
die 
das 
die 
3e
dem 
der 
dem 
den ... n
4e
den 
die 
das 
die 
Help!
Herhalen ein-Gruppe:
zie de les over de 1e naamval & ein-Gruppe
Let op:
In de derde naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord een extra –n (mit den Leuten), behalve als het meervoud eindigt op –n of op –s  (mit den Frauen, mit den Autos).

Slide 16 - Slide

uitleg
ein-Gruppe bestaat uit: 
mijn - mein   
jouw - dein    
zijn - sein       
haar - ihr 
ons - unser
jullie - euer
uw - Ihr
(g)een - (k)ein
M
V
O
MV
1e
ein
eine
ein
keine
3e
einem
einer
einem
keinen ... n
4e
einen
eine
ein
keine
Let op:
In de derde naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord een extra –n (mit den Leuten), behalve als het meervoud eindigt op –n of op –s  (mit den Frauen, mit den Autos).

Slide 17 - Slide

der-Gruppe bestaat uit:
1. de lidwoorden
2. dies-, jen, jed-, manch- welch-, solch-, all-

M
V
O
MV
1e
der 
die 
das 
die 
3e
dem 
der 
dem 
den ... n
4e
den 
die 
das 
die 
Help!
Herhalen ein-Gruppe:
zie de les over de 1e naamval & ein-Gruppe
Voorbeelden DER- GRUPPE:
Er geht mit dem Fugzeug (o) nach Spanien.
Sind das die Eintrittkarten für die Vorstellung (v)?
Nach dem Film (m) gehen wir gleich nach Hause. 








Slide 18 - Slide

uitleg
ein-Gruppe bestaat uit: 
mijn - mein   
jouw - dein    
zijn - sein       
haar - ihr 
ons - unser
jullie - euer
uw - Ihr
(g)een - (k)ein
M
V
O
MV
1e
ein
eine
ein
keine
3e
einem
einer
einem
keinen ... n
4e
einen
eine
ein
keine
Voorbeelden EIN-GRUPPE

Ich gehe mit meinen Freunden (mv) zu einer Party (v). 

Ohne seine Familie (v) hat er eine Reise gemacht. 

Ich muss nachmittags zu einem Kochkurs (m)

Slide 19 - Slide

Ich fahre mit ... (de) Auto (o) nach Hause.
A
der
B
das
C
dem
D
den

Slide 20 - Quiz

Meine Mutter kauft ein Geschenk für ... (mijn) Vater (m).
A
mein
B
meiner
C
meinen
D
meinem

Slide 21 - Quiz

Die Apotheke finden Sie um _______ Ecke (v).
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 22 - Quiz

Das Kind geht nie ohne _________ Handy (o) nach draußen.
A
seinem
B
sein
C
seinen
D
seine

Slide 23 - Quiz

Bei ______ Bäcker (m) bekommt man die besten Brötchen.
A
der
B
den
C
dem
D
die

Slide 24 - Quiz

und jetzt üben
Machen: K8 - Paragraf E: Grammatik Aufgabe 18 t/m 26
Hilfsmittel: Grammatik A, Grammatik B & Lessonup
Lastig? Maak een deel samen met de docent in een breakout-room!

Fertig:
  • abschließen Paragraf A, B, C, D
  • Slim Stampen: Paragraf D: Lesen
  • Slim Stampen: Paragraf E: Grammatik

Slide 25 - Slide

Hoe gaat het met de beheersing van de leerdoelen van deze les?

😒🙁😐🙂😃

Slide 26 - Poll

Nächste Stunde
Leestoets Gruppe B

Gruppe A & C: Selbstständig arbeiten

Slide 27 - Slide