Afronden+ Test jezelf 4.7 grammatica

Wat gaan we doen? 
  • kort lesstof herhalen
  • lesstof oefenen 
  • H4.7 Opdrachten afmaken + test jezelf 
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, k, gLeerjaar 1

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Wat gaan we doen? 
  • kort lesstof herhalen
  • lesstof oefenen 
  • H4.7 Opdrachten afmaken + test jezelf 

Slide 1 - Slide

Wat zijn zelfstandig naamwoorden?
A
de, het, een
B
rood, groen, geel
C
fiets, koe, paard

Slide 2 - Quiz

Zelfstandige naamwoorden (zn)
= MEDIPLADI + plaatsnamen + eigennamen
  • je kunt er een lidwoord voor plaatsen
  • je kunt er mv of ev van maken

Slide 3 - Slide

Lesstof oefenen
Ik laat een tekening zien. 
Open je notities/ pak een kladblaadje

Schrijf zoveel mogelijk zelfstandig naamwoorden op die je op de tekening kunt zien. 

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Hoeveel zelfstandig naamwoorden heb je opgeschreven?

Slide 6 - Open question

Er komt nog een tekening aan. Nu ga je op zoek naar het bijvoeglijk naamwoord. 

Maar wat is dat ook alweer?

Slide 7 - Slide

bijvoeglijk naamwoord:
Leg uit of geef een voorbeeld ervan

Slide 8 - Mind map

Bijvoeglijk naamwoorden zeggen iets over het zelfstandig naamwoord!




'rood' is een 'gewoon' bijvoeglijk naamwoord. 
'plastic' is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord - zo noemen we bijvoeglijk naamwoorden die een materiaal beschrijven

Slide 9 - Slide

In de volgende tekening ga je op zoek naar zoveel mogelijk zelfstandig naamwoorden mét het bijvoeglijk naamwoord ervoor 





bijvoorbeeld: de oude auto
of: het rode dak

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Hoeveel zelfstandige naamwoorden met bijvoeglijke naamwoorden heb je opgeschreven?

Slide 12 - Open question

Wat zijn voorzetsels ook alweer?

Slide 13 - Mind map

Voorzetsels zijn woorden als: 
in
op
naast
met 
van 
tijdens

Slide 14 - Slide

Wat is GEEN voorzetsel?
A
hier
B
in
C
tussen
D
wegens

Slide 15 - Quiz


Een voorzetsel...
A
geeft plaats, tijd of reden/oorzaak aan
B
staat altijd aan het begin van de zin
C
zet je voor een zelfstandig naamwoord
D
wijst een werkwoord aan

Slide 16 - Quiz

Genoeg geoefend: aan de slag!
Maken:
 Test jezelf


timer
1:00

Slide 17 - Slide