2G1 - 2 april 2026 - 30 seconds - M&M thema 2 woorden hele woordenlijst

Vooraf voor de docent:

Print de woorden (per 4 leerlingen 1 set woorden)

https://docs.google.com/document/d/1M_yK-QdQHsb9SxFDmtGM5zQuw2oBu5KLzeMpGW98-T0/edit?usp=sharing




1 / 19
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolISK

This lesson contains 19 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Vooraf voor de docent:

Print de woorden (per 4 leerlingen 1 set woorden)

https://docs.google.com/document/d/1M_yK-QdQHsb9SxFDmtGM5zQuw2oBu5KLzeMpGW98-T0/edit?usp=sharing




Slide 1 - Slide

Wat zeg jij: friet of patat?

Slide 2 - Slide

Wat is dit?

Slide 3 - Slide

Deze les

  • Jullie leveren het huiswerk in
  • We spelen het spel 30 seconds

Slide 4 - Slide

Bekijk de woorden hieronder
Welk woord vind je lastig?
Over welk woord wil je meer uitleg?


Slide 5 - Slide

30 seconds
- Wie heeft dit spel al eens thuis gedaan?

- Wie heeft dit spel al eens in de klas gedaan?

Slide 6 - Slide

Spelregels
- We spelen in groepjes van 4 personen
- Jullie spelen twee tegen twee
- Ik maak de groepjes

Slide 7 - Slide

Spelregels
-Je mag niet een woord op een kaartje aanwijzen
-Je mag niet naar letters verwijzen (Bijvoorbeeld: 'Het begint met de A')
-Je mag ook geen woord beschrijven waarnaar het klinkt of waarop het rijmt ('Het rijmt op verhuren')
-Je mag geen namen of woorden die op de kaartjes staan gebruiken ('Het is niet sturen maar.....?')

Slide 8 - Slide

Spelregels: 30 seconds
Wat mag wel?

Werkwoord: omschrijven wat je doet. 'De directeur is de baas van de school. Hij moet de school....'

Zelfstandig naamwoord: omschrijven wat je ermee kunt doen of op welke plek je dit gebruikt.
'Het is doorzichtig. Je kan erdoor naar buiten kijken. Je kan het open doen als het binnen warm is.'

Slide 9 - Slide

Spelregels: 30 seconds
Je speelt het spel in een tweetal. Je speelt tegen een ander tweetal. Je speelt het dus in groepjes van 4.

Eerst heeft tweetal 1  30 seconden de tijd om de woorden uit te leggen. 1 persoon van het tweetal mag een briefje pakken en het woord omschrijven. Als de ander het raadt, dan mag je nog een woord pakken. Zo ga je door tot de 30 seconden voorbij zijn. Dan mag het andere team 30 seconden. Daarna weer het eerste team. Tot de kaartjes op zijn. Welk team heeft de meeste kaartjes?

Slide 10 - Slide

Welke teams hebben we?
Vraag een kaartje aan de juf.

Slide 11 - Slide

In jouw tweetal
Bespreek hoe je de woorden aan elkaar gaat omschrijven.

Bedenk een omschrijving die gaat over de betekenis van het woord. En niet over hoe je het woord schrijft (bijvoorbeeld de letters).

(Zie volgende slide)
timer
10:00

Slide 12 - Slide






Bespreek (en oefen!) de woorden in jouw tweetal.
timer
10:00

Slide 13 - Slide

30 seconds: aan de slag!
timer
10:00

Slide 14 - Slide

Stil lezen - opdracht
Schrijf op een post-it, tijdens het lezen:

Wat vind je een mooi woord?

Slide 15 - Slide

timer
10:00
Stil lezen

Slide 16 - Slide

Stil lezen - opdracht 1 of 2
Welk woord heb je opgeschreven?

Slide 17 - Slide

Opdracht in tweetallen
- Bekijk elkaars woord

- Bedenk een zin waarin beide woorden staan. 
De linkerpersoon schrijft de zin op, de rechterpersoon leest de zin straks voor aan de klas.

Tip: schrijf een zin met een verbindingswoord zoals want, omdat, daardoor, maar, toen.
timer
5:00

Slide 18 - Slide

Taalcompleet online
Tot 10:13 uur

                1 op 1 gesprekken
timer
5:00

Slide 19 - Slide