-Je mag niet naar letters verwijzen (Bijvoorbeeld: 'Het begint met de A')
-Je mag ook geen woord beschrijven waarnaar het klinkt of waarop het rijmt ('Het rijmt op verhuren')
-Je mag geen namen of woorden die op de kaartjes staan gebruiken ('Het is niet sturen maar.....?')
Slide 8 - Slide
Spelregels: 30 seconds
Wat mag wel?
Werkwoord: omschrijven wat je doet. 'De directeur is de baas van de school. Hij moet de school....'
Zelfstandig naamwoord: omschrijven wat je ermee kunt doen of op welke plek je dit gebruikt.
'Het is doorzichtig. Je kan erdoor naar buiten kijken. Je kan het open doen als het binnen warm is.'
Slide 9 - Slide
Spelregels: 30 seconds
Je speelt het spel in een tweetal. Je speelt tegen een ander tweetal. Je speelt het dus in groepjes van 4.
Eerst heeft tweetal 1 30 seconden de tijd om de woorden uit te leggen. 1 persoon van het tweetal mag een briefje pakken en het woord omschrijven. Als de ander het raadt, dan mag je nog een woord pakken. Zo ga je door tot de 30 seconden voorbij zijn. Dan mag het andere team 30 seconden. Daarna weer het eerste team. Tot de kaartjes op zijn. Welk team heeft de meeste kaartjes?
Slide 10 - Slide
Welke teams hebben we?
Vraag een kaartje aan de juf.
Slide 11 - Slide
In jouw tweetal
Bespreek hoe je de woorden aan elkaar gaat omschrijven.
Bedenk een omschrijving die gaat over de betekenis van het woord. En niet over hoe je het woord schrijft (bijvoorbeeld de letters).
(Zie volgende slide)
timer
10:00
Slide 12 - Slide
Bespreek (en oefen!) de woorden in jouw tweetal.
timer
10:00
Slide 13 - Slide
30 seconds: aan de slag!
timer
10:00
Slide 14 - Slide
Stil lezen - opdracht
Schrijf op een post-it, tijdens het lezen:
Wat vind je een mooi woord?
Slide 15 - Slide
timer
10:00
Stil lezen
Slide 16 - Slide
Stil lezen - opdracht 1 of 2
Welk woord heb je opgeschreven?
Slide 17 - Slide
Opdracht in tweetallen
- Bekijk elkaars woord
- Bedenk een zin waarin beide woorden staan.
De linkerpersoon schrijft de zin op, de rechterpersoon leest de zin straks voor aan de klas.
Tip: schrijf een zin met een verbindingswoord zoals want, omdat, daardoor, maar, toen.