Rekentaal

Rekentaal

1F

Ik weet dat rekenen een eigen taal heeft.

1 / 34
next
Slide 1: Slide
New lesson editorRekenenISK

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Rekentaal

1F

Ik weet dat rekenen een eigen taal heeft.

Rekentaal

Welke woorden hebben te maken met + ?

Welke woorden hebben te maken met - ?

Welke woorden hebben te maken met : ?

Rekentaal over hoeveel

veel - weinig - een beetje

meer - minder

alle(maal) - geen

evenveel

extra




Rekentaal bij vergelijken

veel - meer - meest                                weinig - minder - minst

lang - langer - langst

kort - korter - kortst

groot - groter - grootst

klein - kleiner - kleinst

vol - voller - volst

leeg - leger - leegst

Plaatsbepaling

(voorzetsels)

boven - onder

hoog - laag

links - midden of centrum - rechts

onder - op

achter - voor


eerder - later, voor - na,  gisteren - vandaag 

Welk seizoen is het nu?

A

Lente

B

Zomer

C

Herfst

D

Winter

Seizoenen

winter: 21 december-januari-februari

lente: 21 maart-april-mei

zomer: 21 juli-augustus- september

 herfst: 21 oktober-november- december.

Wat kun je met een gemiddelde uitrekenen?

Wat is de gemiddelde wandelsnelheid van een mens?

A

2 km/uur

B

10 km/uur

C

5 km/uur

D

15 km/uur

Denk goed na over de volgende vraag...

Wat vind jij lastige rekentaal?

Wat weet je nog..... Een liggende lijn is....

A

Een verticale lijn

B

Een horizontale lijn

C


D


Wat voor soort weegschaal is dit? Kies 2 (!!!!) antwoorden.

A

keukenweegschaal

B

digitale weegschaal

C

personenweegschaal

D

analoge weegschaal

Hoe zwaar is de persoon die op deze weegschaal staat?

A

71 kg

B

76 kg

C

74 kg

D

80 kg

De huiskamer van meneer Buis heeft een oppervlakte van 64 vierkante meter. De kamer is 8 meter lang. Hoe breed is de kamer?

A

7 meter

B

8 meter

C

3 meter

D

2 meter

Hebben we het lesdoel bereikt?

Ik weet dat rekenen een eigen taal heeft.

Welke woorden hebben te maken met x ?

Bij een ijskraam worden ijsjes van 1,50 euro verkocht. Meester Valentijn koopt voor 20 kinderen een ijsje. Hoeveel euro moet hij betalen?

euro

Mijnheer de Visser heeft 1 miljoen euro op zijn bankrekening. Hij geeft 9000 euro weg aan zijn kinderen. Hoeveel euro staat er nog op zijn rekening?

euro

Joey heeft 5701 postzegels. Hij geeft er 3 aan zijn vriendje. Hoeveel heeft hij er nog over?

postzegels

Mijnheer de Bruin koopt 16 pakken koek. In ieder pak zitten 14 koeken. Hoeveel koeken heeft hij gekocht?

koeken

Kevin heeft 20 snoepjes mee naar school. Voor schooltijd heeft hij er al 2 op. Hoeveel procent heeft hij dan al op?

%

Op de Regenboog zitten 150 kinderen. 3/10 van die kinderen zit op zwemles. Hoeveel kinderen zijn dat?

kinderen

Milan maakt een fietsreis van 1421 kilometer. Per dag fietst hij 49 kilometer. Hoeveel dagen moet hij fietsen?

dagen

Wat gaan we doen?

Doel = oefenen van rekentaal. 

Je mag een rekenmachine gebruiken


Ik kan helpen met sommen goed lezen.



Wat is geen 75%?

A

driekwart

B

3/4

C

0,75ste deel

D

25/100