Voorbereiding op test unité 1

BIENVENUE AU COURS DE FRANÇAIS 
1 / 28
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

BIENVENUE AU COURS DE FRANÇAIS 

Slide 1 - Slide

Planning

  • donderdag 24 november: test unité 1 (3x) tijdens derde uur

Slide 2 - Slide

Wat moet je leren?
  • Apprendre 1 tot en met 9 (pages 36-39)
  • Vocabulaire -phrases-grammaire

Slide 3 - Slide

Grammaire: weet je...
  • De rijtjes être -avoir - er werkwoorden in twee tijden
  • Passé composé met être en avoir
  • Persoonlijk voornaamwoord met nadruk of na een voorzetsel 

Slide 4 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord
Moi? Oui c'est toi!
Je vais avec vous ou eux?

Slide 5 - Slide

Voornaamwoorden 
Je = ik 
Moi = ik met nadruk

Tu = jij
Toi = jij met nadruk

il = hij 
Lui = hij met nadruk
elle = zij en zij met nadruk. 

Slide 6 - Slide

Voornaamwoorden 

nous = wij en wij met nadruk

vous = jullie en jullie met nadruk (en u)

ils = zij
eux = zij met nadruk (mnl.)

elles = zij en zij met nadruk (vrl.)

Slide 7 - Slide

  • Persoonlijk voornaamwoord met nadruk
mij, ik
moi
jou, jij
toi
hem, hij
lui
haar, zij
elle
ons, wij
nous
jullie, u
vous
hen, zij (m)
eux
hen, zij (v)
elles

Slide 8 - Slide

nadruk, na voorzetsel, na c'est:
elle
moi
vous
eux
elles
nous
lui
toi
ik, mij
jij, jou
jullie, u
wij, ons
hij, hem
zij, haar
zij, hen (m)
zij, hen (v)

Slide 9 - Drag question

Passé composé
1) Hulpwerkwoord (meestal avoir en soms être)
2) voltooid deelwoord (regelmatig -er):
- er eraf, é erbij
bv. habité (gewoond)
2) voltooid deelwoord (onregelmatig):
être: été (geweest)
avoir: eu (gehad)
prendre: pris (genomen)
faire: fait (gedaan)
pouvoir: pu (gekund)
vouloir: voulu (gewild)
finir: fini (beeindigd)

Slide 10 - Slide

Hoe zeg je: zij hebben gepraat?

Slide 11 - Open question

Hoe zeg je: jij hebt gehad
A
Tu as eu
B
Tu as pu
C
Tu as avoiré
D
Tu as fait

Slide 12 - Quiz

Hoe zeg je: wij zijn geweest (let op!!)

Slide 13 - Open question

Passé composé
1) Hulpwerkwoord: wanneer être?

Slide 14 - Slide

Passé composé
Belangrijk: als je être gebruikt, dan komt er soms een extra -e, -s of -es bij.)

Slide 15 - Slide

Passé composé
Belangrijk: als je être gebruikt, dan komt er soms een extra -e, -s of -es bij.)
Il est parti
Elle est partie
Ils sont partis
Elles sont parties
Hij is vertrokken
Zij is vertrokken 
Zij zijn vertrokken
Zij zijn vertrokken

Slide 16 - Slide

Hoe zeg je: zij is gegaan?
A
Elle est allée
B
Elle est allé
C
Elle a allée
D
Elle a allé

Slide 17 - Quiz

Hoe zeg je: jullie zijn gevallen
A
Vous avez tombé
B
Vous êtes tombés
C
Vous tombez
D
Vous tombés

Slide 18 - Quiz

Hoe zeg je: zij is aangekomen?

Slide 19 - Open question

Wij hebben gekampeerd (faire du camping)

Slide 20 - Open question

Ik ben met mijn ouders naar Toulouse gegaan (aller, avec, à)

Slide 21 - Open question

Ik? Ik heb een wandeltocht gemaakt.
(faire une randonnée)

Slide 22 - Open question

Hij? Hij is thuis gebleven (rester à la maison).

Slide 23 - Open question

Wij zijn een week in Cannes gebleven (rester, une semaine)

Slide 24 - Open question

Persoonlijk voornaamwoord met nadruk
Ik? Moi?
Jij? Toi?

Ook na een voorzetsel:
Après toi, pour vous

Slide 25 - Slide

Zet de persoonlijke voornaamwoorden op de juiste vertaling:
(sleep blauw over rood)
hem, hij
mij, ik
ons, wij
jou, jij
haar, zij
jullie, u
hen, zij (m mv)
hen, zij (v mv)
moi
toi
lui
elle
nous
vous
eux
elles

Slide 26 - Drag question

GRAMMAIRE
Hoe?
  • Uitleg filmpjes kijken
  • Diagnostische toets maken
  • Samenvatting maken 
  • Alles in Quizlet/WRTS zetten

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Video