Chapitre 6, 2hv

Chap 6, 2HV, J'aime le camping!
1 / 32
next
Slide 1: Slide
FransVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

Chap 6, 2HV, J'aime le camping!

Slide 1 - Slide

Jaar 2,  Chapitre 6, cour 1,

Slide 2 - Slide

        Au programme:
0. terugblik                             5 min
1. voca a                                  10 min
1. Introduction + a écouter     20 min
3. Blooket                                10 min
Devoirs:    Apprendre: Voca a et b

Slide 3 - Slide


Le but: Aan het eind van deze les:

1. Ken je woorden die te maken hebben met kamperen

Slide 4 - Slide

Terugblik

Slide 5 - Slide

Vertaal: Zij is nooit ziek.
A
Elle n'est pas malade.
B
Elle n'est jamais malade.
C
Elle est pas malade.
D
Elle est jamais malade.

Slide 6 - Quiz

Voca A
  • Zeg mij na ! (Répétez après moi !)
  • Schrijf de woorden en zinnen uit voca A over in je schrift. p. 78 (10 min en silence)
  • Als je eerder klaar bent: 'SlimStampen'
  • Welke woorden heb je geleerd? (Quels mots as-tu appris)

Slide 7 - Slide

Faire: 

Quoi:            Faire: Introduction, A- Écouter
Comment:   en ligne avec les écouteurs
Temps:        20 minutes
Déjà fini:    
Apprendre: Voca A



Slide 8 - Slide


Wat heb je vandaag geleerd? Denken, delen en uitwisselen ( 5 min)

Schrijf 5 woorden die je vandaag hebt geleerd in je schrift.
Vergelijk je antwoorden met die van je buurman of buurvrouw.
We gaan samen jullie antwoorden bespreken. ✏️📚

Slide 9 - Slide

Cours 2: chapitre 6

Slide 10 - Slide

        Au programme:
0. terugblik                             5 min
1. voca b                                  10 min
2. Faire  B -Lire                       20 min

Devoirs:    Apprendre: Voca a et b

Slide 11 - Slide


Le but: Aan het eind van deze les:

1. Ken je woorden die te maken hebben met vakantie en met Kamperen.

Slide 12 - Slide

Terugblik

Slide 13 - Slide

Choisis: Tu vas................ Je vais au club de sport.
A
pourquoi
B
qui
C
D
qu'est-ce que

Slide 14 - Quiz

Choisis: ..................est-ce que tu vas au club de sport? Parce que j'ai un match de foot.
A
Pourquoi
B
Qui
C
D
qu'est-ce que

Slide 15 - Quiz

Choisis: C'est ...............ton coach? C'est Henri.
A
pourquoi
B
qui
C
D
qu'est-ce que

Slide 16 - Quiz

Voca B
  • Zeg mij na ! (Répétez après moi !)
  • Schrijf de woorden en zinnen uit voca B over in je schrift. p. 80 (10 min en silence)
  • Als je eerder klaar bent: 'SlimStampen'
  • Welke woorden heb je geleerd? (Quels mots as-tu appris)

Slide 17 - Slide


Faire: 
Quoi:            Faire: B- Lire
Comment:   en ligne
Temps:        20 minutes
Déjà fini:    
Apprendre: Voca A et B (slim stampen)



Slide 18 - Slide


Wat heb je vandaag geleerd? Denken, delen en uitwisselen ( 5 min)

Schrijf 5 woorden die je vandaag hebt geleerd in je schrift.
Vergelijk je antwoorden met die van je buurman of buurvrouw.
We gaan samen jullie antwoorden bespreken. ✏️📚

Slide 19 - Slide

Cours 3 Chap 6

Slide 20 - Slide

        Au programme:

1. Phrases-clés C                            10 min
2. Faire   D- Grammaire                   20 min
3. wat heb je vandaag geleerd      10 min

Devoirs:    Apprendre: Phrases-clés c et D Gram

Slide 21 - Slide


Le but: Aan het eind van deze les:

1. weet je hoe je het vraagwoord 'quel(le)s' moet gebruiken.

Slide 22 - Slide

phrases-clés C
  • Zeg mij na ! (Répétez après moi !)
  • Schrijf de  zinnen uit phrases-clés c over in je schrift. p. 80 (10 min en silence)
  • Als je eerder klaar bent: 'SlimStampen'
  • Welke zinnen heb je geleerd? (Quelles phrases as-tu appris)

Slide 23 - Slide


Faire: 
Quoi:            D- grammaire
Comment:   en ligne
Temps:        20 minutes
Déjà fini:    
Apprendre: phrases-clés c



Slide 24 - Slide


Wat heb je vandaag geleerd? Denken, delen en uitwisselen ( 5 min)

Schrijf 3 zinnen die je vandaag hebt geleerd in je schrift.
Vergelijk je antwoorden met die van je buurman of buurvrouw.
We gaan samen jullie antwoorden bespreken. ✏️📚

Slide 25 - Slide




1. Kun je een gesprek op een camping begrijpen.
2. Ken je woorden die te maken hebben met kamperen

3. Kun je een artikel over kamperen begrijpen.
4. ken je woorden die te maken hebben met je mening.

Slide 26 - Slide

vraiment
le dos
le pied
la main 
fatigué
je crois 
je moet
vergeten
ressemler à 
dormir
très
mettre
de hand
echt
slapen
lijken op
leggen, zetten
erg
de rug
de voet
moe
il faut
ik geloof       
oublier

Slide 27 - Drag question

la nuit
ce matin
de koorts
het vertrouwen
malade
de gezondheid
vooral
quelqu'un
de maaltijd
boire
par exemple
arriver
la confiance
de nacht
drinken
le repas
aankomen
bijvoorbeeld
vanochtend
la fièvre
ziek
surtout
la santé
iemand

Slide 28 - Drag question

l'endroit
le meilleur ami
à cause de
gagner
rentrer
gelijk hebben
comme ça
faire du vélo
faire de la natation
faire du cheval
faire du hockey
dansen
winnen
de plek
paardrijden
zwemmen
faire la danse
hockeyen
de beste vriend
vanwege
naar huis gaan
op die manier
avoir raison
fietsen

Slide 29 - Drag question

malade
les légumes
le passetemps
accro
eindelijk
les céréales
je m'entraine
le temps
vite
le yaourt
la fois
le pain
verslaafd
ziek
de yoghurt
snel
het brood
de keer
de groenten
de hobby
enfin
ik train
de ontbijtgranen
de tijd

Slide 30 - Drag question

 Grammaire H: 
Een vraag stellen


Slide 31 - Slide

Chapitre 6, 2hv

Slide 32 - Slide