Stam van het werkwoord en persoonsvorm

De stam en de persoonsvorm van het werkwoord
Thema Ruzie
Grammatica
1 / 11
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

De stam en de persoonsvorm van het werkwoord
Thema Ruzie
Grammatica

Slide 1 - Slide

🎯 Lesdoel:

Ik kan de stam en de persoonsvorm van een werkwoord vinden.


Wat weet je al?
<div>Wat is een werkwoord?</div><div>Wat is de stam?</div><div>Wat is een persoonsvorm?</div>

Slide 2 - Slide

Maak een zin met het werkwoord
'duwen'

Slide 3 - Mind map

De stam
De stam is de basis van het werkwoord.

Je haalt -en van het hele werkwoord af.

duwen → duw
gillen → gil
schreeuwen → schreeuw
vechten → vecht
vergeten → vergeet

Slide 4 - Slide

Pak je schrift en schrijf op!

Schrijf de stam op:

duwen → ______
gillen → ______
schreeuwen → ______
vechten → ______
vergeten → ______

Slide 5 - Slide

Wat is de persoonsvorm?

De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord die bij de persoon hoort.

Je kunt de persoonsvorm vinden door:

  1. De getalsproef
  2. Een vraagzin
Getalsproef
Maak van één persoon meerdere personen of andersom<div><br></div><div>Hij duwt zijn vriend.</div><div>→ Zij duwen hun vriend.</div><div><br></div><div>Wat verandert?</div><div>duwt → duwen</div><div><br></div><div>Dus duwt is de persoonsvorm.</div>
Vraagzin
Maak een vraag van de zin.<div><br></div><div>Je vergeet je tas.</div><div>→ Vergeet je je tas?</div><div><br></div><div>De persoonsvorm staat vooraan.</div><div><br></div><div>vergeet = persoonsvorm</div><div><br></div><div>Nog een:</div><div>Je gilt hard.</div><div>→ Gil je hard?</div>

Slide 6 - Slide

De regel

ik → stam
je / u / hij / ze → stam + t
we / jullie / ze → hele werkwoord
Schrijf op
Vul de juiste vorm in.<div><br></div><div>Ik ___ mijn vriend. (duwen)</div><div>Hij ___ hard. (gillen)</div><div>Wij ___ niet. (schreeuwen)</div><div>Zij ___ met elkaar. (vechten)</div><div>Je ___ je boek. (vergeten)</div>

Slide 7 - Slide

Zelfstandig oefenen


Nu ga je zelf oefenen met 
Klare Taal! les 5 en 6 op blz. 23 en 25

Denk steeds:

Wat is de stam?
Wat is de persoonsvorm?
Wie doet het?
Welke vorm heb ik nodig?

Slide 8 - Slide

Hoe vind je de persoonsvorm?

Slide 9 - Open question

Ik kan de stam en de persoonsvorm van een werkwoord vinden.
😒🙁😐🙂😃

Slide 10 - Poll

Meer oefenen
Ga naar DISK:

Slide 11 - Slide