VTT

 de vtt
Schrijf de correcte vorm van de vtt.


1 / 35
next
Slide 1: Slide
NT2Hoger onderwijs

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

 de vtt
Schrijf de correcte vorm van de vtt.


Slide 1 - Slide

Een voorbeeld:
Ik heb gisteren ...
Antwoord: gestudeerd

Slide 2 - Slide


Ik heb vorig weekend in het park... (wandelen).

Slide 3 - Open question


Hij heeft gisteren zijn huiswerk ... (maken).

Slide 4 - Open question


Wij hebben vorige zaterdag ... (dansen).

Slide 5 - Open question

luisteren
Heb jij gisteren naar de radio...?

Slide 6 - Open question

wachten
Ik heb lang op de bus...

Slide 7 - Open question

schilderen
Zij heeft gisteren haar slaapkamer ...

Slide 8 - Open question

telefoneren
Heb jij gisteren naar de school ...?

Slide 9 - Open question

fietsen
Zij hebben vorige zaterdag veel ...

Slide 10 - Open question

poetsen
Heb jij de keuken ...?

Slide 11 - Open question

winkelen
Hij heeft gisteren in Brussel ...

Slide 12 - Open question

betalen
Hoeveel heb jij ...?

Slide 13 - Open question

trouwen
Wanneer zijn zij ...?

Slide 14 - Open question

spelen
Wij hebben gisteren voetbal...

Slide 15 - Open question

stofzuigen
Ik heb de slaapkamer ...

Slide 16 - Open question

leggen
Hij heeft zijn boek op de tafel...

Slide 17 - Open question

werken
Ik heb vroeger in een supermarkt...


Slide 18 - Open question


De onregelmatige werkwoorden 

Slide 19 - Slide

rijden
Hij is gisteren naar Antwerpen ...

Slide 20 - Open question

schrijven
Zij heeft een correct antwoord...

Slide 21 - Open question

drinken
Ik heb vanochtend koffie ...

Slide 22 - Open question

slapen
Heb jij goed ...?

Slide 23 - Open question

eten
Wat heb jij gisteren ...?

Slide 24 - Open question

kijken
Zij heeft gisteren naar de televisie ...

Slide 25 - Open question

3. regelmatig en de onregelmatig
Kies het juiste antwoord.

Slide 26 - Slide

Hij heeft een sigaar ... (roken).

Slide 27 - Open question

Zij hebben gisteren in het park ... (wandelen).

Slide 28 - Open question

Ik heb 20 euro ... (betalen).

Slide 29 - Open question

Waar heb je boodschappen ... (doen)?

Slide 30 - Open question

Heb je gisteren ... (werken)?

Slide 31 - Open question

Wie heeft zijn huiswerk ... (maken)?

Slide 32 - Open question

Wij hebben op het feest gisteren veel ... (dansen).

Slide 33 - Open question

Hij heeft in het weekend veel ... (sporten).

Slide 34 - Open question

Hij heeft in het weekend veel ...
A
gesport
B
gespord
C
gesporten

Slide 35 - Quiz