Werken in een winkel

Werken in de winkel

1 / 28
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomiePraktijkonderwijsLeerjaar 2

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Werken in de winkel

Open met herkenbare voorbeelden: supermarkt, kledingwinkel, drogist. Leg uit dat in deze les het gaat om veelvoorkomende taken en woorden die je op de werkvloer nodig hebt.

Dit ga ik leren

Ik kan de basis van werken in de winkel uitleggen en de belangrijkste taken en begrippen benoemen en herkennen.

This item has no instructions

Welke woorden passen bij werken in een winkel?

Gebruik de woorden uit de wolk als start: taken, spullen, klanten, kassa, netjes werken.

Wat doe je in een winkel?

  • klanten helpen

  • vakken vullen

  • kassa bedienen

  • producten controleren

  • winkel netjes houden

Benadruk dat winkelwerk uit meerdere kleine taken bestaat. Niet alleen achter de kassa staan, maar ook aanvullen, controleren en netjes maken.

Klant helpen

  • vriendelijk zijn

  • luisteren naar de vraag

  • product zoeken

  • duidelijk antwoord geven

  • klant bedanken

Koppel elke stap aan een simpele situatie: 'Waar staat de melk?' of 'Heeft u dit in maat M?'.

Vakken vullen

  • producten op de juiste plek

  • oude en nieuwe producten netjes zetten

  • lege plekken aanvullen

  • verpakking heel houden

  • recht en overzichtelijk werken

Noem dat netjes presenteren belangrijk is: de klant moet producten goed kunnen zien en pakken.

Kassa bedienen

  • producten scannen

  • prijs controleren

  • geld aannemen

  • restgeld teruggeven

  • kassabon geven

Leg rustig uit dat nauwkeurig werken belangrijk is. Een fout bij geld of prijs moet meteen worden hersteld.

Controleren en netjes maken

  • kijken of producten heel zijn

  • houdbaarheidsdatum controleren

  • prijskaartjes controleren

  • rommel opruimen

  • schappen netjes maken

Maak duidelijk dat veilig en schoon werken ook bij winkelwerk hoort.

Wat doe je bij de kassa?

A

producten scannen

B

schappen poetsen

C

dozen uitpakken

D

ramen wassen

Check begrip van basistaken. De foute opties zijn wel winkelwerk, maar niet de hoofdtaak van de kassa op de vorige slides.

Maak de tekst af

In een winkel help je de vriendelijk. Je luistert goed en zoekt een als iemand iets vraagt. Bij de kassa moet je precies werken. Je scant het product en geeft terug. Daarna maak je de winkel weer .

In een winkel help je de
vriendelijk. Je luistert goed en zoekt een
als iemand iets vraagt. Bij de kassa moet je precies werken. Je scant het product en geeft
terug. Daarna maak je de winkel weer
levering
korting
schap
pinnen

Correcte woorden: klant, product, restgeld, netjes.

Prijskaartjes lezen

Op een prijskaartje staat vaak:

  • naam van het product

  • prijs

  • soms korting

  • soms inhoud of maat

  • plek van het product

Laat zien dat leerlingen het prijskaartje moeten kunnen koppelen aan het juiste product in het schap.

Goederen controleren

Nieuwe goederen controleer je op:

  • juiste product

  • juiste aantal

  • schade aan doos of product

  • houdbaarheidsdatum

  • of alles klopt met de levering

Gebruik eenvoudige woorden: levering = spullen die binnenkomen. Maak het concreet met een doos frisdrank of broodjes.

Netjes presenteren

  • producten recht neerzetten

  • dezelfde producten bij elkaar

  • voorkant naar voren

  • schap schoon houden

  • lege plek snel aanvullen

Leg uit dat een nette winkel rust geeft en helpt bij verkopen, maar houd het praktisch en concreet.

Eenvoudige winkeltaal

  • Goedemorgen

  • Kan ik u helpen?

  • Waar zoekt u naar?

  • Het staat daar

  • Dank u wel

Benadruk beleefd taalgebruik. In sommige winkels is 'u' meestal passend naar klanten.

Vragen van klanten

Veel vragen zijn:

  • Waar staat dit product?

  • Wat kost dit?

  • Heeft u dit nog?

  • Is er korting?

  • Mag ik pinnen?

Laat zien dat een medewerker rustig luistert en kort antwoord geeft. Geen lange uitleg nodig.

Producten zoeken

  • lees het schap of bord

  • kijk naar de productnaam

  • let op merk, maat of smaak

  • controleer het prijskaartje

  • wijs de juiste plek aan

Verbind dit met vakken vullen: als schappen netjes zijn, kun je producten sneller terugvinden.

Wat lees je op een prijskaartje?

A

de route

B

de prijs

C

de openingstijd

D

de muziek

Laat leerlingen het prijskaartje koppelen aan informatie in het schap.

Maak de tekst af

Een medewerker leest een om de prijs te zien. Nieuwe controleer je bij een levering. In het schap zet je dezelfde producten bij elkaar en de naar voren. Zo blijft de winkel en duidelijk.

Een medewerker leest een
om de prijs te zien. Nieuwe
controleer je bij een levering. In het schap zet je dezelfde producten bij elkaar en de
naar voren. Zo blijft de winkel
klant
kassa
restgeld
pinnen

Correcte woorden: prijskaartje, goederen, voorkant, netjes.

Restgeld teruggeven

  • noem het bedrag

  • tel het geld goed

  • geef eerst muntgeld of briefgeld

  • geef daarna de kassabon

  • blijf rustig en precies

Gebruik eenvoudige voorbeelden mondeling, zoals: totaal 7 euro, klant geeft 10 euro, restgeld 3 euro.

Omgaan met drukte

  • werk stap voor stap

  • blijf vriendelijk

  • luister goed

  • maak eerst één taak af

  • vraag hulp als dat nodig is

Noem dat drukte normaal is in een winkel. Rustig blijven helpt om minder fouten te maken.

Omgaan met fouten

  • merk de fout op

  • zeg het eerlijk

  • bied excuses aan

  • herstel de fout

  • vraag hulp bij twijfel

Voorbeelden: verkeerde prijs gescand, te weinig restgeld gegeven, product op verkeerde plek gezet.

Belangrijke woorden

klant - iemand die iets koopt

kassa - plek waar je betaalt

prijskaartje - kaartje met de prijs

schap - plank in de winkel

restgeld - geld dat je terugkrijgt

levering - goederen die binnenkomen

korting - lagere prijs

This item has no instructions

Meer belangrijke woorden

vakken vullen - producten in het schap zetten

goederen controleren - nakijken of producten kloppen

presenteren - producten netjes laten zien

houdbaarheidsdatum - datum tot wanneer iets goed is

scannen - product met de kassa lezen

kassabon - bon met wat je hebt gekocht

pinnen - betalen met bankpas

This item has no instructions

Wat zeg je netjes tegen een klant?

A

Loop maar weg

B

Zoek het zelf

C

Kan ik u helpen?

D

Ik weet niks

Toetst eenvoudige winkeltaal en beleefd spreken.

Maak de tekst af

Bij drukte werk je voor stap. Een klant vraagt iets, dus je blijft en luistert goed. Bij contant betalen geef je het terug. Maak je een fout, dan zeg je het eerlijk en bied je je aan.

Bij drukte werk je
voor stap. Een klant vraagt iets, dus je blijft
en luistert goed. Bij contant betalen geef je het
terug. Maak je een fout, dan zeg je het eerlijk en bied je je
schap
korting
levering
prijskaartje

Correcte woorden: stap, vriendelijk, restgeld, excuses.

Wat doe jij bij drukte of een fout?

Bespreek antwoorden zoals: rustig blijven, fout eerlijk zeggen, hulp vragen, stap voor stap werken, klant netjes helpen.

Wat heb je vandaag geleerd?

Laat leerlingen kort noemen wat ze hebben geleerd, zoals kassa, klant helpen, prijskaartje lezen of netjes presenteren.

Wat hielp jou het meest vandaag?

Mogelijke antwoorden: voorbeelden, woordenlijst, plaatjes, samen oefenen, duidelijke stappen.