De Filmfabriek, gr 3/4, les 1 Verhaal

GROEP 3/4
LES 1: Verhaal

1 / 10
next
Slide 1: Slide
MediawijsheidNederlands+2BasisschoolGroep 3,4

This lesson contains 10 slides, with interactive quiz, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Introduction

Beste leerkracht! Samen ga jij, met jouw klas een korte film maken. In deze serie met lessen krijgen jij en jouw klas stap voor stap uitgelegd wat er bij het maken van een film komt kijken. De serie bestaat uit negen lessen. In elke les wordt een onderwerp uitgelegd via voorbeeldfilmpjes, diverse oefeningen en opdrachten. Alle onderwerpen vanuit het filmproces komen aanbod zoals: het verhaal van een film, hoe werkt het voor en achter de camera, wat doet de art direction, wat is de invloed van muziek op de film, wat houdt de cast en de crew in, hoe monteer je de film en in welk programma. Als afsluiting wordt de film en het filmproces met de leerlingen besproken. Aan het uitwerken van het verhaal kan t/m les 6 gewerkt worden. Het verhaal hoeft dus nu nog niet helemaal af te zijn. In deze les wordt de basis van het verhaal verzonnen.

Instructions

In deze eerste les ga je met de leerlingen een verhaal bedenken. Heel belangrijk is dat het een kort verhaal is wat haalbaar is om te maken. Dus het verhaal speelt zich dan af rondom en/of in de school. Dan kan zijn in de klas, in de bibliotheek, de wc, de gymzaal, het schoolplein, de straat. De spullen, (de props) die nodig zijn in de film moeten voorhanden zijn. Willen de leerlingen een verhaal met een levende olifant, dan weet je al dat dat niet haalbaar is. Een hele grote koffer is hoogst waarschijnlijk niet aanwezig op school maar is wel haalbaar, omdat 1 van de leerlingen die mee kan nemen vanuit huis. 

Benodigdheden:
- Digibord met geluid, verbonden met het internet
- LessonUp-les ‘De Filmfabriek, gr 3/4, les 1’
- Bijlage 1.1: Begrippenlijst verhaal (gr 1 t/m 8, les 1)
- Bijlage 1.2: Werkblad verhaal (gr 1 t/m 8, les 1) kopie voor de leerkracht
- Bijlage 1.3: Basisverhalen (gr 1 t/m 8, les 1)

Lesinhoud:

Verkenning: inhoud en introductie 5 minuten
Informatie: hoofdpersonen 10 minuten
Informatie: verhaal 10 minuten
Opdracht: verhaal vertellen 15 minuten
Afsluiting: verzonnen verhaal vertellen 5 minuten

Voorbereiding: 
Bekijk (naast onderstaande lesbeschrijving) de bijbehorende LessonUp-les en zet deze voor aanvang van de les klaar op het digibord. Zet ‘devices in de klas’ uit. Bekijk bijlage 1.1 (begrippenlijst). Print bijlage 1.2 (werkblad verhaal) voor jezelf. Lees in bijlage 1.3 (basisverhalen) de verhalen voor groep 3/4 door ter inspiratie voor het eigen filmverhaal.

Leerdoel: Aan het einde van de les kennen de leerlingen de begrippen ‘protagonist’ en ‘antagonist’, en kunnen bij personages/karakters aangeven of ze goed of slecht zijn. Daarnaast weten de leerlingen dat een verhaal uit een begin, midden en eind bestaat, en kunnen ze een bijdrage leveren aan het verloop van hun eigen filmverhaal.
 

Items in this lesson

GROEP 3/4
LES 1: Verhaal

Slide 1 - Slide

Vertel dat jullie een les gaan doen uit ‘De Filmfabriek’.
hoihoi
Vraag
Informatie
Opdracht
Kijk
Benodigdheden
Tip

Slide 2 - Slide

Behandel de betekenissen van de pictogrammen, die in de lessen voorbij zullen komen.
2
Storyboard
3
Reclame
4
Acteren
5
Art direction
6
Muziek en geluid
7
Filmen
8
Montage
1
Verhaal

Slide 3 - Slide

Vertel dat jullie in 8 lessen gaan werken aan het maken van een eigen korte speelfilm en bespreek kort
wat er in elke les aan bod komt. Vertel dat jullie nu les 1 gaan doen (verhaal voor de film bedenken).

Slide 4 - Video

Bekijk de introductievideo.
Hoofdpersonen
In een verhaal komen vaak verschillende hoofdpersonen voor. Dit zijn de belangrijkste personen uit het verhaal. Vaak is er een goede en een slechte hoofdpersoon. 

Slide 5 - Slide

Vertel dat in een verhaal vaak verschillende hoofdpersonen voorkomen.
Dit zijn de belangrijkste personen uit het verhaal. Vaak is er een goede en een slechte hoofdpersoon. je kunt de leerlingen vragen om voorbeelden van hoofdpersonages en goede en slechteriken. 
Protagonist
Antagonist
GOED
Een protagonist is de hoofdpersoon die goed is. Hij of zij wordt vaak gezien als de held in de film/in het verhaal. 
SLECHT
Een antagonist is de hoofdpersoon die slecht is. Hij of zij doet er vaak alles aan om de protagonist (de goede) tegen te werken. 

Slide 6 - Slide

Vertel dat de goede hoofdpersoon vaak als held wordt gezien en ‘protagonist’ wordt genoemd. De slechte hoofdpersoon doet er vaak alles aan om de protagonist (de goede) tegen te werken. Deze hoofdpersoon noemen we een ‘antagonist’.

PROTAGONIST
ANTAGONIST

Slide 7 - Drag question

Doe de sleepvraag. Welke personages uit de films ‘Finding nemo’, ‘101 Dalmatiërs’, ‘Roodkapje’ en ‘Frozen’ zijn goed (en horen in het vakje protagonist) en welke zijn slecht (en horen in het vakje antagonist)? De juiste antwoorden:
- Protagonist: Nemo, de dalmatiërs, Roodkapje en Anna.
- Antagonist: de haai, Cruella De Vil, de wolf en Hans.
Verhaal
Een verhaal bestaat uit 3 delen: begin - midden - eind
BEGIN
Over wie gaat het en 
waar speelt het zich af?
MIDDEN
Wat gebeurt er en waarom?
EIND
Hoe loopt het af?

Slide 8 - Slide

Vertel dat een verhaal altijd uit drie delen bestaat en vertel wat die delen inhouden:
- Begin – Over wie gaat het en waar speelt het zich af?: In het begin worden de hoofdpersonen
voorgesteld, met vaak elk hun doel (droom of wens). Vaak is er een goede hoofdpersoon (de ‘protagonist’), en een slechte hoofdpersoon (de ‘antagonist’). Ook wordt duidelijk waar het verhaal zich afspeelt (locatie en tijdsperiode, bijv. in het bos, de middeleeuwen, etc.) en wat de sfeer van de film is (spannend, grappig, etc.).
- Midden – Wat gebeurt er en waarom?: In het midden wordt de goede hoofdpersoon vaak tegengewerkt door de slechterik. Soms moet de goede hoofdpersoon wat oplossen of onderzoeken, om zijn/haar droom of wens uit te kunnen laten komen. In het midden is het vaak nog onduidelijk of het zal lukken. Dit maakt het verhaal spannend.
- Eind – Hoe loopt het af?: In het eind wordt duidelijk of de hoofdpersonen hun dromen of wensen hebben vervult. Dat bepaalt of het verhaal goed of slecht afloopt.
Leg eventueel aan de hand van ‘Roodkapje’ uit wat het begin, midden en eind is van het sprookje. Of laat de leerlingen dit vertellen.
- Begin: Roodkapje (goede hoofdpersoon) krijgt een mandje met lekkers en gaat door het bos (locatie)
op weg naar haar zieke oma. Onderweg plukt Roodkapje bloemetjes en komt ze een wolf (slechte hoofdpersoon) tegen.
Wens van Roodkapje: oma verwennen.
- Midden: De wolf eet oma op, omdat hij honger heeft. Als Roodkapje bij oma aankomt, wordt ook zij door de wolf opgegeten. De wolf valt vervolgens in slaap.
Probleem: Roodkapje kan oma niet verwennen, omdat ze wordt opgegeten.
- Eind: Gelukkig hoort de jager de wolf snurken. Hij bevrijdt oma en Roodkapje uit de buik van de wolf. Ze stoppen er stenen voor in de plek terug. De wolf wordt wakker, krijgt dorst en gaat naar de put om water te drinken. Door de stenen in zijn buik valt de wolf voorover en valt in de put. Eind goed, al goed!
Oplossing: Roodkapje en oma zijn bevrijd, dus Roodkapje kan oma weer verwennen.
BEGIN
Over wie gaat het, en 
waar en wanneer speelt het zich af?
MIDDEN
Wat gebeurt er en waarom?
EIND
Hoe loopt het af?
Verhaal verzinnen
Bedenk een verhaal voor de eigen film. Noteer het verhaal in bijlage 1.2. 
Aantal rollen
Let op het aantal rollen! Het zou leuk zijn als zo veel mogelijk kinderen te zien zijn in de film.
Haalbaarheid
Let op de haalbaarheid! Het moet in/rondom de school te filmen zijn. 
Bijlage 1.2 (werkblad)
Evt. bijlage 1.3 (basisverhalen)

Slide 9 - Slide

 Bedenk klassikaal een verhaal voor de eigen film. Bedenk eerst een thema/onderwerp van het verhaal (en maak hierover eventueel een woordweb). Werk het thema/onderwerp vervolgens uit tot een verhaal aan de hand van de volgende punten.
- Wie? Wie zijn de hoofdpersonen van het verhaal? Zijn er nog andere personages? Zo ja, wie zijn
dat?
- Waar? Waar speelt het verhaal zich af? Bijv. binnen (in een school of woonkamer) en/of buiten (in
een bos of stad).
- Wanneer? Wanneer speelt het verhaal zich af? Noem de periode (bijv. in de middeleeuwen, in de
toekomst of in de zomer). Noem ook de duur (vindt het verhaal bijv. plaats op één dag of in een
maand).
- Wat? Wat maken de hoofdpersonen mee in het verhaal? Wat gebeurt er?
- Waarom? Waarom doen de personages bepaalde dingen? Wat is hun motivatie?
- Hoe? Hoe lost het verhaal op?
Gebruik bijlage 1.2: Werkblad verhaal om de uitkomsten n.a.v. bovenstaande punten op te schrijven. Deze gegevens heb je nodig in de volgende lessen. Tevens heeft de cameraman voor les 7 het uitgeschreven verhaal nodig, zodat hij weet wat en hoe er gefilmd moet gaan worden.
TIP: Zorg ervoor dat alle leerlingen in de film te zien zijn. Zorg dus voor voldoende rollen. Je kunt bijv. in groepjes werken (de goede feeën, de slechte dieven, etc.). Indien er leerlingen zijn die niet herkenbaar in beeld mogen, kunnen zij wellicht een masker en verkleedkleren dragen.
TIP: Het verhaal moet haalbaar zijn, dus het moet in/rondom de school te filmen zijn, zonder al te veel moeilijke rekwisieten (attributen/spullen)!       
Je kunt de leerlingen tijdens het verzinnen van het verhaal laten mee tekenen (bijv. de personages, de gebeurtenissen en/of de locaties) of mee laten spelen (wat er gebeurt, voeren de leerlingen in bewegingen uit).
Liever geen klassikale aanpak? Je kunt de leerlingen ook in groepjes een verhaaltje laten verzinnen en/of hen individueel een eigen personage laten tekenen. Vervolgens kunnen deze verhaaltjes/personages het uitgangspunt worden van het algehele verhaal of kan er voor één van de verhaaltjes gekozen worden als basis voor het verhaal.
Geen inspiratie? Bekijk de voorbeeldverhalen in bijlage 1.3: Basisverhalen. Deze kun je gebruiken als basis voor je eigen filmverhaal, waarbij de leerlingen de details kunnen bedenken. Bedenk daarnaast het volgende:
- Is er een thema/project in de klas waar het filmverhaal over kan gaan?
- Is er een boek waarbij het verhaal als inspiratie kan dienen voor de film?
- Wie is er al eens op (school)reis geweest? Heb je toen wat spannends meegemaakt?
- Wie doet er in het weekend wel eens wat leuks (bijv. sport of hobby)? Zo ja, wat doe je dan?
- Heeft één van de ouders misschien een inspirerende baan?
Aan het uitwerken van het verhaal kan t/m les 6 gewerkt worden. Het verhaal hoeft dus nu nog niet helemaal af te zijn. In deze les wordt de basis van het verhaal verzonnen.
Gemaakt door: 







Gefinancierd door:
Met dank aan:

Slide 10 - Slide

Herhaal kort het verzonnen verhaal; lees zelf het verhaal voor, laat een leerling het verhaal samenvatten, of vraag de leerlingen naar de ‘w’s’ n.a.v. het eigen verhaal.