Atlasvaardigehden

Atlasvaardigheden
1 / 23
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Atlasvaardigheden

Slide 1 - Slide

Welke 4 zoekmethoden voor het gebruik van de atlas zie je in de afbeelding hiernaast?
Door gebruik te maken van ....

Slide 2 - Open question

Waar kun je het best zoeken als je wilt weten waar ongeveer in de atlas kaarten over een bepaald gebied/regio/werelddeel te vinden zijn?
A
Inhoudsopgave
B
namenregister
C
trefwoordenregister
D
bladwijzer

Slide 3 - Quiz

Waar moet je kijken als je zo snel mogelijk een kaart wilt vinden over een bepaald onderwerp?
A
Inhoudsopgave
B
namenregister
C
trefwoordenregister
D
bladwijzer

Slide 4 - Quiz

Waar moet je kijken als je zo snel mogelijk een werelddeel wilt vinden
en je weet waar dit ligt in de wereld?
A
Inhoudsopgave
B
namenregister
C
trefwoordenregister
D
bladwijzer

Slide 5 - Quiz

Als je niet weet waar een gebied, plaats, rivier etc. ligt, dan is de snelste zoekmethode om te kijken in ...
A
de inhoudsopgave
B
het namenregister
C
het trefwoordenregister
D
de bladwijzer

Slide 6 - Quiz

Wat laat een staatkundige overzichtskaart vooral zien?
A
Grenzen en hoofdsteden
B
Hoogteligging en rivieren
C
Plantengroei en bodems
D
Bevolkingsdichtheid

Slide 7 - Quiz

Een thematische kaart is een...
A
Een kaart van een groot gebied met plaatsen, bergen en waterwegen
B
Een overzichtskaart van een klein gebied
C
Een kaart die over een bepaald onderwerp gaat
D
Alle antwoorden zijn juist

Slide 8 - Quiz

Twee beweringen:
1. Een natuurkundige overzichtkaart laat vooral bergen, zeeën,
rivieren e.d. zien
2. Een staatkudige overzichtkaart laat vooral
landsgrenzen/provinciegrenzen en hoofdsteden zien
A
Beide beweringen zijn juist
B
Beide beweringen zijn onjuist
C
Bewering 1 is juist, 2 is onjuist
D
Bewering 1 is onjuist, 2 is juist

Slide 9 - Quiz

Twee beweringen:
1. Topografische kaarten geven een kleiner gebied weer
en laten meer details zien
2. De kaarten op blz. 26 en 27 zijn voorbeelden van topografische kaarten
A
Beide beweringen zijn juist
B
Beide beweringen zijn onjuist
C
Bewering 1 is juist, 2 is onjuist
D
Bewering 1 is onjuist, 2 is juist

Slide 10 - Quiz

Als je op wilt opzoeken waar de rivier de Rijn ontspringt, gebruik je het liefst een ...
A
staatkundige overzichtskaart
B
natuurkundige overzichtkaart
C
thematische kaart
D
topografische kaart

Slide 11 - Quiz

Als je een speurtocht moet uitzetten in de buurt van je eigen huis, gebruik je het liefst een ...
A
staatkundige overzichtskaart
B
natuurkundige overzichtkaart
C
thematische kaart
D
topografische kaart

Slide 12 - Quiz

Als je op wilt opzoeken welke talen er in Nigeria worden gesproken, gebruik je het liefst een ...
A
staatkundige overzichtskaart
B
natuurkundige overzichtkaart
C
thematische kaart
D
topografische kaart

Slide 13 - Quiz

Als je wilt weten door welke landen opzoeken welke landen buurlanden zijn van China, gebruik je het liefst een ...
A
staatkundige overzichtskaart
B
natuurkundige overzichtkaart
C
thematische kaart
D
topografische kaart

Slide 14 - Quiz

Twee beweringen:
1. Wanneer we bij aardrijkskunde spreken over schaal dan
bedoelen we de verhouding tussen een afstand op de kaart
en dezelfde afstand in werkelijkheid
2. Een wereldkaart is een voorbeeld van een grootschalige kaart
A
Beide beweringen zijn juist
B
Beide beweringen zijn onjuist
C
Bewering 1 is juist, 2 is onjuist
D
Bewering 1 is onjuist, 2 is juist

Slide 15 - Quiz

Met het schaalgetal bedoelen we het getal
achter de : in de schaalverhouding.
Wanneer een kaart als schaal heeft
1: 60.000.000 dan is dit ...

A
een grootschalige kaart
B
een kleinschalige kaart
C
een kaart met veel details
D
een kaart die een klein gebied weergeeft

Slide 16 - Quiz

Welk schaalniveau
heeft deze kaart?
A
lokaal schaalniveau
B
nationaal schaalniveau
C
regionaal schaalniveau
D
internationaal schaalniveau

Slide 17 - Quiz

Wanneer we met het begrip schaal werken, kunnen we dit op verschillende schaalniveaus doen.
Lokaal, regionaal, nationaal, continentaal, mondiaal.
Als we beginnen met lokaal en eindigen met modiaal, dan zijn we aan het
A
inzoomen
B
uitzoomen

Slide 18 - Quiz

Op welk schaalniveau is
deze kaart?
A
Lokaal schaalniveau
B
Regionaal schaalniveau
C
Continentaal schaalniveau
D
Mondiaal schaalniveau

Slide 19 - Quiz

Wat zal er bedoeld worden met fluviaal schaalniveau?
A
Lokaal schaalniveau
B
Mondiaal schaalniveau
C
Het stroomgebied van een rivier
D
Verandering van schaalniveau

Slide 20 - Quiz

Op welk schaalniveau
is deze kaart?
A
Lokaal schaalniveau
B
Regionaal schaalniveau
C
Continentaal schaalniveau
D
Mondiaal schaalniveau

Slide 21 - Quiz

schaal: als de schaal 1 : 50 is dan betekent dat:....
timer
0:20
A
de kaart is 50 x zo klein als de werkelijkheid
B
de kaart is 50 x zo groot als de werkelijkheid
C
wat op de kaart 1 cm is, is in werkelijkheid 50 m.
D
wat op de kaart 1 cm is, is in werkelijkheid 50 cm

Slide 22 - Quiz

Bereken de afstand op kaart 203 van Rio de Janeiro in Brazilië naar Santiago in Chili.
Deze afstand is hemelsbreed (in een rechte lijn) ...

Slide 23 - Open question