passé composé 2c havo

Chapitre 5
passé composé

1 / 27
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Chapitre 5
passé composé

Slide 1 - Slide

HET BEZITTELIJK VOORNAAMWOORD
LE PASSÉ COMPOSÉ
J'ai mangé une pizza.
Tu as fait du foot hier?
Nous avons été au Maroc.
Le passé composé is een werkwoordstijd wat aangeeft dat iets in het verleden is gebeurd.

Slide 2 - Slide

Hulpwerkwoorden
  • In het Frans gebruik je in de meeste gevallen het hulpwerkwoord avoir (hebben)
Ik heb gehuurd = j'ai loué un appartement.

  • MAAR soms gebruik je het werkwoord être (zijn)
Ik ben gegaan = je suis allé

Slide 3 - Slide

  • Als je in het Nederlands het hulpwerkwoord hebben gebruikt, doe je dat in het Nederlands ook.

Als je in het Nederlands het hulpwerkwoord hebben gebruikt, doe je dat in het Frans ook.
Als je in het Nederlands het hulpwerkwoord zijn gebruikt, doe je dat in het Frans ook.
Jij hebt gegeten
Tu as mangé
Ik ben gegaan
Tu es allé

Slide 4 - Slide

avoir=hebben
j'ai
tu as
il a
nous avons
vous avez
ils ont

Slide 5 - Slide

être=zijn
je suis
tu es
il est
nous sommes 
vous êtes
ils sont

Slide 6 - Slide

hoe maak je passé composé?
werkwoorden op -er (donner)
Je haalt de laatste r weg en zet een accent op de é
j'ai donné
werkwoorden op -ir (finir)  haal je de r weg
je suis fini

Slide 7 - Slide

Uitzonderingen
De passé composé van:

avoir= eu........................... j'ai eu=ik heb gehad
être=été.................................j'ai été= ik ben geweest
faire=fait,............................... j'ai fait= ik heb gedaan

Slide 8 - Slide

Let op 
Als er een voltooid deelwoord met être staat kan er een extra s of e komen bij een vrouwelijk onderwerp of meervoud!!!
je suis allé
elle est allée
nous sommes allés
elle sont allées

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Welk werkwoord krijgt in de passé composé het hulpwerkwoord être ?
A
gagner=winnen
B
faire=doen
C
aller=gaan
D
avoir=hebben

Slide 11 - Quiz

Welk werkwoord krijgt in de passé composé het hulpwerkwoord avoir ?
A
rester=blijven
B
aller=gaan
C
regarder=kijken
D
entrer=naar binnengaan

Slide 12 - Quiz

Elle (regarder, passé composé) un film sur Netflix
A
a regardé
B
est regarder
C
est regardé
D
est regardée

Slide 13 - Quiz

Wat is de juiste vorm:
jij bent gegaan
A
tu est allé
B
tu es allé

Slide 14 - Quiz

wat is de juiste vorm;
zij zijn gegaan
A
ils sont allés
B
ils sont allé

Slide 15 - Quiz

Welk werkwoord krijgt in de passé composé het hulpwerkwoord être ?
A
rentrer=naar binnengaan
B
être=zijn
C
écouter=luisteren
D
louer=huren

Slide 16 - Quiz

Elles... (parler=praten)
(passé composé)
A
ont parlé
B
sont parlé
C
sont parler
D
ont parlées

Slide 17 - Quiz

Ils (envoyer=sturen, passé composé)
A
ont envoyé
B
sont envoyé
C
envoyais
D
envoyait

Slide 18 - Quiz

Zet in de passé composé:

Il ............. (parler=praten)

Slide 19 - Open question

Zet in de passé composé:
Elles ............. (acheter=kopen)

Slide 20 - Open question

Zet in de passé composé:
Pierre ............. (chanter)

Slide 21 - Open question

zet in de passé composé
il ........................... (arriver=komen)

Slide 22 - Open question

Zet in de passé composé:
J' ............. (regarder)

Slide 23 - Open question

Wat is: ik ben geweest

A
j'ai eu
B
j'ai été
C
je suis été

Slide 24 - Quiz

Wat is: ik heb gehad
A
j'ai fait
B
j'ai eu
C
j'ai été

Slide 25 - Quiz

samengevat
passé composé bestaat uit twee delen:
een hulpwerwoord (avoir of être) en een voltooid deelwoord
Deze maak je door de r van het werkwoord te halen en een accent op de é te zetten
Huiswerk: maken 13 en 14. Vrijdag controle 
dinsdag 20 april SO voca A en B

Slide 26 - Slide

Au Revoir

Slide 27 - Slide