Een vraag stellen in het Frans

Lesdoel
Hoe stel ik een vraag in het Frans ? Bron H Ch 5 blz 43
1- zonder  vraagwoord
2- met  vraagwoord       

Aan het einde van de les kan ik een vraag stellen 
met /of zonder vraagwoord
1 / 18
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Lesdoel
Hoe stel ik een vraag in het Frans ? Bron H Ch 5 blz 43
1- zonder  vraagwoord
2- met  vraagwoord       

Aan het einde van de les kan ik een vraag stellen 
met /of zonder vraagwoord

Slide 1 - Slide

Bedenk een vraag in het Frans.

Slide 2 - Mind map

bonjour
Comment tu t'appelles ?
Ça va ?
Tu habites où ?
Tu parles français ?

Oefenen : Schrijf deze vragen op een andere manier 

Slide 3 - Slide

Vraagvormen
Zonder vraagwoorden : 
Est-ce que tu fais du  sport ? [ est-ce que + zin]
Tu es en forme? [ gewone zin + ?]

Slide 4 - Slide

Vraagvormen
Met vraagwoorden :
Pourquoi est-ce que tu fais du sport ? [ vraagw+est-ce que+zin]
Pourquoi tu es végétarien  ?  [ vraagw + zin]

Schrijf deze vragen op een andere manier in je schrift :
Gebruik de aanwijzingen in Bron C 

Slide 5 - Slide

1
2
3
4
5
A
B
C
D
E

Slide 6 - Drag question

Tu es ....?
...est la fille blonde là-bas?
Tu vas à Paris ...?
...tu vas à pied au collège?
Tu vas à la gare ....?
Les devoirs c'est pour ....?
Pourquoi
comment
quand
quand
qui

Slide 7 - Drag question

   

  GRAMMAIRE    Een vraag stellen
1.  Met les mots dans le bon ordre pour faire des questions.
2.  Combine les mots justes. 
wanneer
wat
waarom
hoe
wie
hoeveel
waar
          ?
faites
comment
quand
combien
est

pourquoi
qui
qu'est-ce que
deux fois
du jogging
par semaine
vous

Slide 8 - Drag question

Bijzonderheden
Het is niet altijd mogelijk om een vraag met vraagwoord op een andere manier te stellen.
1. "Pourquoi" & "qu'est-ce que" kun je niet achteraan schrijven.
2. Let op "qu'est-ce-que" = wat = vraagwoord

"est-ce-que" is geen vraagwoord maar een formule die een vraag aankondigt 
  

Slide 9 - Slide

vertaal : Hoe heet je ?
A
Ton nom?
B
Pourquoi tu t'appelles?
C
Je m'appelle.
D
Comment tu t'appelles?

Slide 10 - Quiz

Vertaal : Train je vaak ?
A
Pourquoi tu t'entraînes ?
B
Est-ce que tu t'entraînes ?
C
Tu t'entraînes souvent ?
D
Je m'entraîne souvent.

Slide 11 - Quiz

Welke vraagzinnenzijn correct?
Van de zin: Tu aimes le chocolat.
A
Le chocolat tu aimes ?
B
Est-ce que tu aimes le chocolat ?
C
Tu aimes le chocolat ?
D
Pourquoi tu aimes le chocolat ?

Slide 12 - Quiz

Vul het juiste vraagwoord in:
Tu habites .....?
A
comment
B
pourquoi
C
quand
D

Slide 13 - Quiz

Vul het juiste vraagwoord in :
......tu fais comme sport ?
A
pourquoi
B
qu'est-ce que
C
quand
D

Slide 14 - Quiz

Vul het juiste vraagwoord in :
......de fois tu t'entraînes par semaine?
A
combien
B
comment
C
qu'est-ce que
D
qui

Slide 15 - Quiz

vul het juiste vraagwoord in :
.....est ton entraîneur ?
A
quand
B
combien
C
qui
D
pourquoi

Slide 16 - Quiz

Vul het juiste vraagwoord in :
......tu es végétarien ? Parce que j'aime trop les animaux
A
quand
B
comment
C
qu'est-ce que
D
pourquoi

Slide 17 - Quiz

en nu zelf oefenen
oefening 30CD + 31ACD blz 36+37
timer
10:00

Slide 18 - Slide